1. Op een aanvraag wordt door de Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien niet kan worden beslist binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, stelt de Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn aan die niet langer zal zijn dan zes maanden waarbinnen een beslissing zal worden genomen.
3. Het verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister krachtens
artikel 4:7, eerste lid, of
artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrechtde aanvrager in de gelegenheid stelt zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen tot de dag waarop de aanvrager zijn zienswijze naar voren heeft gebracht of de krachtens
artikel 4:7, eerste lid, of
4:8 van de Algemene wet bestuursrechtgestelde termijn is verstreken.