1. Voor de toepassing van de
WAOen de
Wet WIAwordt als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen wachtgeld als bedoeld in artikel 2wordt verleend:
a. op grond van een bepaling overeenkomstig artikel 19, eerste lid, onderdelen j en k, en derde lid van de WW;
b. op grond van een bepaling overeenkomstig de artikelen 19, eerste lid, onderdelen e en g, 24, eerste lid, onderdeel b, 25, en 26, eerste lid, en 27 van de WW en de daarop berustende bepalingen;
c. over de zaterdagen en zondagen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de periode, waarover op grond van bedoelde bepaling geen uitkering wordt verleend, voorafgaat aan, dan wel een onderbreking vormt van een periode, waarover wel uitkering wordt verleend.