Voor degene voor wie op het tijdstip waarop het bij deze wet in de
Wet op de dierproeveningevoegde artikel 11
a, eerste lid, in werking treedt, het fokken of afleveren van dieren met het oog op dierproeven tot het terrein van zijn werkzaamheden behoort, geldt het in dat lid gestelde verbod niet gedurende drie maanden na bedoeld tijdstip, en, indien binnen die termijn een aanvraag om een vergunning als in dat lid bedoeld is ingediend, voorts niet totdat de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist, onherroepelijk is geworden.
Artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dierproevenblijft met betrekking tot zodanige aanvraag buiten toepassing.