De gedragingen bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Abw, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. eerste categorie: a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan.
a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan.
2. tweede categorie: a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
3. derde categorie: a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
4. vierde categorie: a. het niet aanvaarden van passende arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.
a. het niet aanvaarden van passende arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.