1. In zaken, daaronder begrepen procedures, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een raad voor de kinderbescherming optreedt, treedt de landelijke raad voor de kinderbescherming in zijn plaats.
2. In zaken, daaronder begrepen procedures, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de raad voor de kinderbescherming te Amsterdam op grond van
artikel 239, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, optreedt, treedt de landelijke raad voor de kinderbescherming in zijn plaats.