1. De uitkering, bedoeld in artikel 1, wordt vastgesteld op het bedrag bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de factor 194.600.000/232.990.360.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld aan de hand van de opgave van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de, naar de stand op 1 juli 1995, toegekende voorschotten voor de uitkering voor 1995 bedoeld in artikel 2 van de Stimuleringsmaatregel kinderopvang 1994–1995.
3. Een voorschot, als bedoeld in het tweede lid, dat is toegekend aan een samenwerkingsverband van gemeenten wordt, voor de toepassing van het eerste lid, evenredig aan het voor 1 juli 1995 laatst vastgestelde aantal opvangplaatsen, toegerekend aan de gemeenten binnen het samenwerkingsverband.
4. Het derde lid is niet van toepassing indien het voorschot, bedoeld in het tweede lid, is toegekend aan een gemeente die in het kader van de maatregel bedoeld in artikel 1, als een centrumgemeente is aangemerkt.