1. Ingeval de termijn gedurende welke de verhuur van onroerende zaken met toepassing van het keuzerecht voor belasting is uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting, is aangevangen vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, behoeft de verklaring, bedoeld in
artikel 6a, tweede lid, tweede volzin, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, niet te worden overgelegd.
2. Ingeval het boekjaar waarin de huurder de onroerende zaak met toepassing van het keuzerecht voor belasting is gaan huren, is geëindigd vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, behoeft de verklaring, bedoeld in
artikel 6a, zevende lid, eerste volzin, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, niet te worden overgelegd.
3. Voor de toepassing van dit artikel geldt als boekjaar het boekjaar van de huurder.