BWBR0007858
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 8.06
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Lensinrichting ... [Regeling vervallen per 01-07-2009] 1 Iedere waterdichte afdeling moet afzonderlijk kunnen worden gelenst. Dit geldt niet voor waterdichte afdelingen die tijdens de vaart gewoonlijk luchtdicht zijn afgesloten. 2 Op schepen waarvoor een bemanning is voorgeschreven, moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende lenspompen aanwezig zijn, die niet in dezelfde ruimte mogen staan, en waarvan er ten minste één door een motor wordt aangedreven. Indien deze schepen echter een motorvermogen hebben van minder dan 225 kW of een laadvermogen van minder dan 350 t, dan wel, in geval van schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, een waterverplaatsing van minder dan 250 m 3 , is een hand- of motorlenspomp voldoende. Elk der voorgeschreven pompen moet voor elke waterdichte afdeling te gebruiken zijn. 3 De minimale capaciteit Q 1 van de eerste lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule: ; d 1 moet worden berekend volgens de volgende formule: . De minimale capaciteit Q 2 van de tweede lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule: ; d 2 moet worden berekend volgens de volgende formule: . De afmeting d 2 behoeft echter niet groter te zijn dan de afmeting d 1 . Bij het berekenen van Q 2 heeft l betrekking op de langste waterdichte afdeling. In deze formules betekent: l: de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling in [m]; d 1 : de rekenkundige inwendige diameter van de hoofdlensleiding in [mm]; d 2 : de rekenkundige inwendige diameter van de aftakking van de lensleiding in [mm]. 4 Indien de lenspompen zijn aangesloten op een lenssysteem moet de inwendige diameter van de lensleidingen ten minste afmeting d 1 hebben, in mm, en de inwendige diameter van de aftakkingen ten minste afmeting d 2 , in mm. Voor schepen met een lengte L van minder dan 25 m mogen de afmetingen d 1 en d 2 worden verminderd tot 35 mm. 5 Er zijn slechts zelfaanzuigende lenspompen toegestaan. 6 In iedere lensbare afdeling met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich aan stuurboord en aan bakboord tenminste één lenskorf bevinden. 7 De achterpiek mag door middel van een gemakkelijk toegankelijke, zelfsluitende aftapinrichting, die naar de machinekamer loopt, gelenst kunnen worden. 8 De aftakkingen van de leidingen van afzonderlijke afdelingen moeten door een vastzetbare terugslagklep aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten. Afdelingen of andere ruimten, die als ballastruimten dienen, behoeven slechts via een afsluiter aan het lenssysteem te zijn aangesloten. Dit geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast. Het vullen van dergelijke laadruimen met ballastwater moet door een van de lensleiding gescheiden, vast geïnstalleerde ballastleiding of door aftakkingen geschieden, die als flexibele leidingen of door middel van beweegbare tussenstukken met de hoofdlensleiding kunnen worden verbonden. Bodemkleppen zijn hiervoor niet toegestaan. 9 Vullingen van laadruimen moeten zijn voorzien van peilmogelijkheden. 10 Indien een lensinrichting is uitgevoerd met vast aangebrachte leidingen, moeten de lensleidingen van de bilgen die voor het verzamelen van oliehoudend water zijn bestemd, zijn voorzien van door een Commissie van Deskundigen in gesloten stand verzegelde afsluiters. Het aantal en de plaats van deze afsluiters moeten worden vermeld in het certificaat van onderzoek. 11 Het afgesloten zijn moet worden beschouwd als gelijkwaardig aan een verzegeling als bedoeld in het tiende lid. De sleutel of sleutels van de sloten van de afsluitinrichtingen moeten overeenkomstig gekenmerkt op een gemakkelijk toegankelijke en aangeduide plaats in de machinekamer worden bewaard.