BWBR0007858
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 2.05
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Voorlopig certificaat van onderzoek ... [Regeling vervallen per 01-07-2009] 1 De Commissie van Deskundigen kan een voorlopig certificaat afgeven voor: a. vaartuigen die, teneinde een certificaat van onderzoek te verkrijgen, een reis willen ondernemen naar een Commissie van Deskundigen van hun keuze; b. vaartuigen die, wegens één van de in de artikelen 2.07 , 2.13, eerste lid , of 2.14 bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun certificaat van onderzoek zijn voorzien; c. vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek na het onderzoek nog in behandeling is; d. vaartuigen waarbij niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een certificaat van onderzoek overeenkomstig bijlage B of een certificaat overeenkomstig bijlage G wordt voldaan; e. vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met het in het certificaat van onderzoek gestelde; f. drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, in het geval dat de voor de toepassing van artikel 1.21, eerste lid, van het Rijnvaart-politiereglement bevoegde autoriteit de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het hebben van een voorlopig certificaat van onderzoek; g. vaartuigen waarvoor een Commissie van Deskundigen gelijkwaardige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, toestaat, voor die gevallen waarvoor de Centrale Commissie voor de Rijnvaart nog geen aanbeveling heeft gedaan. 2 Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt volgens het model van bijlage D afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht. Het moet de voorwaarden bevatten die door de Commissie van Deskundigen nodig worden geacht en is geldig: a. in de in het eerste lid, onder a en d tot en met f , bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn, die ten hoogste één maand mag zijn; b. in de in het eerste lid, onder b en c , bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn; c. in de in het eerste lid, onder g , genoemde gevallen gedurende zes maanden. Deze termijn mag slechts worden verlengd met toestemming van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.