BWBR0007858
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 17.08
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Bewijzen van stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord ... [Regeling vervallen per 01-07-2009] 1. Indien gebruik wordt gemaakt van een verminderd resterend vrijboord als bedoeld in artikel 17.04, derde lid , moet voor alle bedrijfsomstandigheden zijn aangetoond dat a. na correctie voor vrije vloeistofoppervlakken de metacentrumhoogte niet minder dan 0,15 m bedraagt; b. binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een oprichtende arm van ten minste h = 0,30 - 0,28 . ϕ [ m ] aanwezig is. Daarbij is ϕ de hellingshoek, waar vandaan de stabiliteitskromme negatief wordt (stabiliteitsomvang). Hij mag niet kleiner zijn dan 20° of 0,35 rad en moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld, waarbij voor ϕ de eenheid radiaal (rad) moet worden gebruikt (1° = 0,01745 rad); c. de som van de hoeken resulterend uit slagzij en trim niet meer dan 10° bedraagt; d. een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 17.04 aanwezig is; e. een resterend vrijboord van ten minste 0,05 m aanwezig is; f. binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een resterende arm van ten minste h = 0,20 - 0,23 . ϕ [m] aanwezig is. Daarbij is ϕ de hellingshoek, waar vandaan de stabiliteitskromme negatief wordt; deze moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld. Onder resterende arm moet worden verstaan het tussen 0° en 30° hellingshoek aanwezige grootste verschil tussen de kromme van de oprichtende armen en de kromme van de kenterende armen. Indien een opening naar het inwendige van het schip in het water terecht komt bij een hellingshoek die kleiner is dan de hellingshoek die bij het grootste verschil hoort, is de eis inzake de resterende arm van toepassing op deze hellingshoek.