BWBR0007858
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 15.09
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Reddingsmiddelen ... [Regeling vervallen per 01-07-2009] 1 Behalve de in artikel 10.05, eerste lid , genoemde reddingsboeien moeten op alle voor passagiers bestemde, niet gesloten delen van de dekken aan beide zijden van het schip reddingsboeien beschikbaar zijn die overeenkomen met de Europese norm EN 14144 : 2003, op een afstand van telkens niet meer dan 20 m uit elkaar. De ene helft van alle voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een drijvende lijn die tenminste 30 m lang moet zijn en een doorsnede van 8 tot 11 mm moet hebben. De andere helft van de voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan. 2 Behalve de reddingsboeien als bedoeld in het eerste lid moeten: a. voor alle leden van het boordpersoneel, die een taak volgens de veiligheidsrol hebben, individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 10.05, tweede lid , onder handbereik beschikbaar zijn; b. voor alle overige leden van het boordpersoneel individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, onder handbereik beschikbaar zijn. 3 Passagiersschepen moeten over geschikte inrichtingen beschikken die personen op een veilige manier van boord in ondiep water, aan de oever of aan boord van een ander vaartuig kan brengen. 4 Behalve de reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten voor in totaal 100% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, aanwezig zijn. Voor zover de individuele reddingsmiddelen als bedoeld in de eerste zin niet tevens voor kinderen geschikt zijn moeten voor 10% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, voor kinderen met een lichaamsgewicht tot en met 30 kg beschikbaar zijn. 5 (vervallen) 6 Extra gemeenschappelijke reddingsmiddelen zijn uitrustingsstukken die het mogelijk maken meerdere personen die zich te water bevinden drijvende te houden. Zij moeten: a. over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn; b. een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 100 N per persoon; c. van geschikt materiaal zijn vervaardigd en resistent zijn voor olie en van olie afgeleide producten, alsmede tegen temperaturen tot en met 50 °C; d. drijvend een stabiele ligging kunnen innemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen om zich vast te houden voor het aangegeven aantal personen; e. een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel duurzaam aangebrachte fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van tenminste 100 cm 2 ; en f. vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel van zelf boven drijven. 7 Opblaasbare gemeenschappelijke reddingsmiddelen moeten bovendien: a. uit ten minste twee gescheiden luchtkamers bestaan; b. bij het in het water belanden zich automatisch opblazen of door handbediening kunnen worden opgeblazen; en c. bij iedere mogelijke belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen, drijvend een stabiele ligging innemen en behouden. 8 Reddingsmiddelen moeten aan boord zodanig zijn ondergebracht dat zij als het nodig is gemakkelijk en veilig kunnen worden bereikt. Aan het gezicht onttrokken depots moeten duidelijk zijn gemarkeerd. 9 Reddingsmiddelen moeten zijn getest volgens de indicaties van de fabrikant. 10 De bijboot moet zijn uitgerust met een motor en met een verstelbare schijnwerper. 11 Er moet een geschikte draagbaar beschikbaar zijn.