BWBR0007858
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 13.06
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Luchtverhitters ... [Regeling vervallen per 01-07-2009] Luchtverhitters waarbij de verwarmingslucht onder druk rondom een verbrandingskamer naar een verdeelsysteem of een ruimte wordt geleid moeten aan de volgende eisen voldoen: a. Indien de brandstof onder druk wordt verstoven, moet de toevoer van de verbrandingslucht door middel van een ventilator geschieden; b. Voordat de brander kan worden ontstoken, moet de verbrandingskamer goed geventileerd zijn. Dit kan ook gebeuren door het nalopen van de verbrandingsluchtventilator; c. De brandstoftoevoer moet automatisch worden gesloten, wanneer – het vuur uitdooft; – geen voldoende toevoer van verbrandingslucht aanwezig is; – de verhitte lucht een eerder ingestelde temperatuur overschrijdt, of – de stroomvoorziening van de veiligheidsinrichtingen uitvalt. In deze gevallen mag de brandstoftoevoer na te zijn gesloten niet weer automatisch starten; d. De ventilatoren voor verbrandingslucht en verwarmingslucht moeten kunnen worden uitgeschakeld buiten de ruimte waarin het verwarmingsapparaat is opgesteld; e. Indien de verwarmingslucht van buitenaf wordt aangezogen, moeten de aanzuigopeningen zo hoog mogelijk boven het dek liggen. De uitvoering daarvan moet spatwater- en regendicht zijn; f. De leidingen voor de verwarmingslucht moeten van metaal zijn vervaardigd; g. De uitgangsopeningen voor de verwarmingslucht mogen niet volledig gesloten kunnen worden; h. De bij lekkage vrijkomende brandstof mag zich niet tot in de leidingen voor de verwarmingslucht kunnen verspreiden; i. Luchtverhitters mogen hun verwarmingslucht niet uit een machinekamer kunnen aanzuigen.