1. Het percentage van de stichtingskosten, bedoeld in
artikel V, negende lid, onderdeel c, van de Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken(Stb. 659), wordt gesteld op 7, te vermeerderen met 0,15 percentpunt voor elk geheel jaar dat is verstreken sinds het tijdstip waarop de verhuurder de onroerende zaak is gaan bezigen.
2. Onder stichtingskosten wordt verstaan het totaal van de kosten die door de verhuurder zijn of worden gemaakt om de desbetreffende onroerende zaak te verhuren, daaronder begrepen:
a. zijn historische aanschaffings- of voortbrengingskosten van de onroerende zaak, met inbegrip van eventueel ter zake van de bouw betaalde bouwrente;
b. de voor of tijdens de verhuurperiode gemaakte kosten, andere dan die bedoeld in onderdeel a, waarop de verhuurder voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen;
c. ingeval de onroerende zaak door de verhuurder is verkregen krachtens een levering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde Wet van 18 december 1995, zowel het ineens betaalde bedrag als de contante waarde van zijn eventuele periodieke schuldplichtigheid. Bij het bepalen van het vorenbedoelde totaal van de kosten wordt geen rekening gehouden met aan de verhuurder verleende subsidies en andere bijdragen van derden.