1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen verleent voor het schooljaar 1995-1996 een ontheffing op de grond, genoemd in de artikelen 13
b, vijfde lid, onderdeel
a, en 13
c, derde lid, van het
Formatiebesluit WBO 1992, de artikelen B 16
i.1, vijfde lid, onderdeel
a, en B 16
i.2, derde lid, C 15
i.1, vijfde lid, onderdeel
a, en C 15
i.2, derde lid, D 12
i.1, vijfde lid, onderdeel
a, en D 12
i.2, derde lid, F 13
i.1, vijfde lid, onderdeel
a, en F 13
i.2, derde lid, van het
Besluit trekkende bevolking WBO, de artikelen 20
b, vijfde lid, onderdeel
a, en 20
c, derde lid, van het
Formatiebesluit ISOVSO 1992, de artikelen 15
a, vijfde lid, onderdeel
a, en 15
b, derde lid, van het Formatiebesluit scholen v.w.o.-a.v.o.-v.b.o., en de artikelen D.4
a, vijfde lid, onderdeel
a, en D.4
b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V., indien het aantal formatierekeneenheden dat het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs onderscheidenlijk het aantal formatie-eenheden dat het bestuur van een instelling als bedoeld in de Wet op de onderwijsverzorging kan herbezetten in verband met uitbreiding van de arbeidsduurverkorting en toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in hoofdstuk I-V van het
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, en na vermindering met 35% van het aantal formatierekeneenheden onderscheidenlijk formatie-eenheden dat overeenkomt met de opslag vanwege herbezetting in verband met uitbreiding van de arbeidsduurverkorting en toepassing van de genoemde regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, gelijk is aan of kleiner is dan 13.
2. In afwijking van de in het eerste lid genoemde artikelen behoeft het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur geen verzoek tot toepassing van de in het eerste lid genoemde artikelen in te dienen.