BWBR0007625
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 11.2
Wet educatie en beroepsonderwijs
1. Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet zijn gerechtigd, verboden om:
a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden;
b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden;
c. een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a af te geven of in het vooruitzicht te stellen; of
d. de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a.
2. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid.
3. De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht</a>, of, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden;
b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden;
c. een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a af te geven of in het vooruitzicht te stellen; of
d. de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a.
2. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid.
3. De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht</a>, of, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.