De secretaris van de Commissie zendt na ontvangst van een beroepschrift onverwijld een afschrift daarvan aan het instituut met het verzoek om binnen drie weken de op het beroep betrekking hebbende stukken en een verweerschrift bij de Commissie in te dienen.
De secretaris roept betrokkenen tenminste 2 weken vóór de datum van de zitting op om op de zitting aanwezig te zijn, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld zich te doen horen.
Ter zitting dienen de aanwezigen zich te gedragen naar de aanwijzingen van de voorzitter. De voorzitter is bevoegd hen die dit niet doen, te doen vertrekken.