1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 april 1995.
2. Aan de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 60b, eerste lid, en
60f van de Huisvestingswet, wordt voor het eerst uitvoering gegeven met betrekking tot het tweede kalenderhalfjaar van 1995.
3. Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door Onze Minister van Justitie gedane bekendmaking omtrent het aantal verblijfsgerechtigden in wier huisvesting in het tweede kalenderhalfjaar van 1995 dient te worden voorzien, die voldoet aan de vanaf bedoeld tijdstip in artikel 60
b, tweede lid bij de letter
c, van de
Huisvestingswetgestelde vereisten, geldt als de bekendmaking voor genoemd kalenderhalfjaar in de zin van genoemd lid.
4. Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door gedeputeerde staten gedane vaststelling omtrent het aantal inwoners van een gemeente per 1 januari 1994, die voldoet aan de vanaf bedoeld tijdstip in
artikel 60b, derde lid, van de Huisvestingswetgestelde vereisten, geldt als een vaststelling in de zin van genoemd lid.
5. De vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot de gemeenten gerichte verzoeken om medewerking met betrekking tot de huisvesting van verblijfsgerechtigden als bedoeld in
artikel 60a, onderdeel a, van de Huisvestingswet, alsmede van houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9
avan de Vreemdelingenwet, gelden als taakstellingen in de zin van
artikel 60a, onderdeel b, van de Huisvestingswetmet dien verstande dat artikel 60
cvan die wet op deze taakstellingen niet van toepassing is.