In het tijdvak dat loopt van 3 april 1995 tot en met 30 juni 1995 wordt een landbouwtelling gehouden als bedoeld in de artikelen 24en 25 van de Landbouwwet(Stb. 1957, 342).
1. Ten behoeve van de telling als bedoeld in artikel 2wordt een beschrijvingsbiljet, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, uitgereikt of verzonden door of vanwege de minister.
2. De opgaveplichtige verstrekt de op het beschrijvingsbiljet gevraagde gegevens naar de toestand op de datum van ondertekening, tenzij op het biljet of door de teller anders is aangegeven, en neemt daarbij de overige op het biljet of door de teller gestelde aanwijzingen in acht.
3. In tegenstelling tot het bepaalde in het tweede lid verstrekt de opgaveplichtige de op het beschrijvingsbiljet, onder C Veestapel, gevraagde gegevens naar de toestand op de datum van de vroegste zittingsdag waarvoor hij is opgeroepen.
4. De opgaveplichtige ondertekent op de zittingsdag het beschrijvingsbiljet en levert dat in bij de teller.
5. Indien het beschrijvingsbiljet aan de opgaveplichtige is toegezonden, levert hij dat ingevuld en ondertekend binnen vijf dagen na ontvangst in bij de regiomanager.
1. Indien de opgaveplichtige op de zittingsdag niet alle op het beschrijvingsbiljet gevraagde gegevens kan verstrekken, geldt de procedure zoals vermeld in artikel 4, tweede, derde en vierde lid, voor de gegevens die hij wel heeft verstrekt.
2. De opgaveplichtige krijgt op de zittingsdag door de teller het hulpformulier uitgereikt voor de op het beschrijvingsbiljet gevraagde gegevens die hij niet heeft kunnen verstrekken.
3. De opgaveplichtige verstrekt de op het hulpformulier gevraagde gegevens naar de toestand op de datum van ondertekening, tenzij op het formulier of door de teller anders is aangegeven, en neemt daarbij de overige op het formulier of door de teller gestelde aanwijzingen in acht.
4. De opgaveplichtige ondertekent het aan hem uitgereikte hulpformulier en levert dat binnen twee weken in bij de regiomanager.