1. De in
artikel 5, vijfde lid, van de wet bedoelde gevallen doen zich voor indien:
a. aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 3 en 3a van de wet;
b. blijkt dat op grond van de nieuwe ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis de wijze van gebruik en de gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd, of
c. zulks noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire maatregel.
2. De toelating of registratie kan zo nodig worden verlengd voor de periode die nodig is om de wijziging af te handelen.