1. Op een aanvraag tot toewijzing van zendtijd aan een aspirant-omroepvereniging die voor 1 oktober 1994 bij het Commissariaat voor de Media is ingediend, besluit het Commissariaat voor 1 mei 1995 met inachtneming van de
artikelen 14en
15 van de Mediawet, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van de wet van 28 april 1994 (
Stb.385), en
artikel 3 van het Mediabesluit, zoals deze bepaling luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.
2. Indien het Commissariaat besluit tot toewijzing van zendtijd aan een aspirant-omroepvereniging, bepaalt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor 1 juni 1995 op welk televisieprogrammanet de zendtijd voor televisie van de aspirant-omroepvereniging tussen 16.00 uur en 24.00 uur zal worden ingedeeld.
3. De zendtijdtoewijzing gaat in op 1 september 1995. De zendtijdtoewijzing wordt met ingang van die datum van rechtswege omgezet in een tweejarige voorlopige concessie als bedoeld in
artikel 37, eerste lid, van de Mediawet, die - in afwijking van artikel 37, derde lid, eerste zin, van de
Mediawet- samenvalt met de eerste twee jaren van de concessieperiode, bedoeld in artikel 31, derde lid, eerste zin, van de
Mediawet.
4. De houder van een voorlopige concessie als bedoeld in het derde lid kan, in afwijking van
artikel 1, eerste lid, van het Mediabesluit, in de maand november 1996 een aanvraag indienen voor een concessie voor landelijke omroep als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, van de Mediawet.
5. Indien een concessie als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, van de Mediawetwordt verleend, wordt deze, in afwijking van artikel 31, derde lid, eerste zin, van de
Mediawet, verleend voor een periode van drie jaren.