BWBR0007049
Geldig vanaf 2018-10-06
Artikel 8.3
Regeling handel levende dieren en levende producten
1. Op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, is gebleken dat:
a. indien honden, katten, fretten en lagomorfen afkomstig zijn van een handelszaak die permanent of incidenteel deze dieren in zijn bezit heeft, deze handelszaak is geregistreerd overeenkomstig artikel 8.7, en
b. de apen, hoefdieren, bijen, honden, katten, fretten en lagomorfen afkomstig zijn van bedrijven of, indien het honden, katten en lagomorfen betreft, van handelszaken die voldoen aan artikel 4 van richtlijn 92/65/EEG.
2. Onverminderd het eerste lid, is op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken, dat:
a. indien het apen betreft, deze afkomstig zijn van een instelling, instituut of centrum dat is erkend overeenkomstig artikel 8.6 en bestemd zijn voor een door de bevoegde autoriteit van de lid-staat van bestemming overeenkomstig bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende instelling, erkend instituut of erkend centrum en dat, in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
b. indien het hoefdieren betreft: 1. de hoefdieren niet in het kader van een programma voor de uitroeiïng van een besmettelijke dierziekte dienen te worden geruimd;
2. de hoefdieren niet zijn ingeënt tegen mond- en klauwzeer en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorschriften die ter bestrijding van mond- en klauwzeer gelden;
3. de hoefdieren afkomstig zijn van een bedrijf als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van richtlijn 64/432/EEG, ten aanzien waarvan geen veterinairrechtelijke maatregelen ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (PbEG L 306), Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316/5) of richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) gelden, en waar deze dieren vanaf hun geboorte of gedurende de laatste 30 dagen voorafgaand aan de verzending permanent hebben verbleven;
4. indien hoefdieren vanuit een derde land, al dan niet via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland zijn gebracht: deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
1. de hoefdieren niet in het kader van een programma voor de uitroeiïng van een besmettelijke dierziekte dienen te worden geruimd;
2. de hoefdieren niet zijn ingeënt tegen mond- en klauwzeer en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorschriften die ter bestrijding van mond- en klauwzeer gelden;
3. de hoefdieren afkomstig zijn van een bedrijf als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van richtlijn 64/432/EEG, ten aanzien waarvan geen veterinairrechtelijke maatregelen ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (PbEG L 306), Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316/5) of richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) gelden, en waar deze dieren vanaf hun geboorte of gedurende de laatste 30 dagen voorafgaand aan de verzending permanent hebben verbleven;
4. indien hoefdieren vanuit een derde land, al dan niet via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland zijn gebracht: deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
c. indien het bijen betreft, deze niet afkomstig zijn uit: een gebied waarbinnen bestrijdingsmaatregelen vanwege amerikaans vuilbroed gelden;
een gebied waarbinnen 30 dagen of korter geleden, voorafgaand aan de dag van afgifte van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 8.2, onderdeel c, dergelijke bestrijdingsmaatregelen van kracht zijn geweest, en, in voorkomend geval, is voldaan aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
een gebied waarbinnen bestrijdingsmaatregelen vanwege amerikaans vuilbroed gelden;
een gebied waarbinnen 30 dagen of korter geleden, voorafgaand aan de dag van afgifte van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 8.2, onderdeel c, dergelijke bestrijdingsmaatregelen van kracht zijn geweest, en, in voorkomend geval, is voldaan aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
d. indien het lagomorfen betreft, voldaan is aan artikel 9, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG, en, in voorkomend geval aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat tevens voldaan is aan artikel 9, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, indien de lagomorfen voor Ierland of het Verenigd Koninkrijk zijn bestemd en door deze lid-staten de verklaring als bedoeld in dat artikellid wordt verlangd;
e. indien het honden, katten of fretten betreft, voldaan is aan artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EG.
a. indien honden, katten, fretten en lagomorfen afkomstig zijn van een handelszaak die permanent of incidenteel deze dieren in zijn bezit heeft, deze handelszaak is geregistreerd overeenkomstig artikel 8.7, en
b. de apen, hoefdieren, bijen, honden, katten, fretten en lagomorfen afkomstig zijn van bedrijven of, indien het honden, katten en lagomorfen betreft, van handelszaken die voldoen aan artikel 4 van richtlijn 92/65/EEG.
2. Onverminderd het eerste lid, is op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5, gebleken, dat:
a. indien het apen betreft, deze afkomstig zijn van een instelling, instituut of centrum dat is erkend overeenkomstig artikel 8.6 en bestemd zijn voor een door de bevoegde autoriteit van de lid-staat van bestemming overeenkomstig bijlage C van richtlijn 92/65/EEG erkende instelling, erkend instituut of erkend centrum en dat, in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
b. indien het hoefdieren betreft: 1. de hoefdieren niet in het kader van een programma voor de uitroeiïng van een besmettelijke dierziekte dienen te worden geruimd;
2. de hoefdieren niet zijn ingeënt tegen mond- en klauwzeer en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorschriften die ter bestrijding van mond- en klauwzeer gelden;
3. de hoefdieren afkomstig zijn van een bedrijf als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van richtlijn 64/432/EEG, ten aanzien waarvan geen veterinairrechtelijke maatregelen ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (PbEG L 306), Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316/5) of richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) gelden, en waar deze dieren vanaf hun geboorte of gedurende de laatste 30 dagen voorafgaand aan de verzending permanent hebben verbleven;
4. indien hoefdieren vanuit een derde land, al dan niet via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland zijn gebracht: deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
1. de hoefdieren niet in het kader van een programma voor de uitroeiïng van een besmettelijke dierziekte dienen te worden geruimd;
2. de hoefdieren niet zijn ingeënt tegen mond- en klauwzeer en, in voorkomend geval, voldoen aan de voorschriften die ter bestrijding van mond- en klauwzeer gelden;
3. de hoefdieren afkomstig zijn van een bedrijf als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van richtlijn 64/432/EEG, ten aanzien waarvan geen veterinairrechtelijke maatregelen ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (PbEG L 306), Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316/5) of richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) gelden, en waar deze dieren vanaf hun geboorte of gedurende de laatste 30 dagen voorafgaand aan de verzending permanent hebben verbleven;
4. indien hoefdieren vanuit een derde land, al dan niet via het grondgebied van een lid-staat, in Nederland zijn gebracht: deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
deze afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land, dat voor de betrokken diersoort is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage 1 bij verordening (EU) nr. 206/2010, met dien verstande dat, voor zover het niet-gedomesticeerde dieren betreft als bedoeld in artikel 1, derde alinea, van verordening (EU) nr. 206/2010, zij afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land van waaruit de lidstaat van bestemming de invoer toestaat;
deze afkomstig zijn van een officieel tuberculosevrij en een officieel brucellosevrij of een brucellosevrij beslag als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of in artikel 2 van richtlijn 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46) en dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onderdelen c, d, f, g en h van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) of aan de artikelen 7.3 en 7.4 van hoofdstuk 7 van deze regeling;
deze, indien zij niet afkomstig zijn van een beslag als bedoeld in het eerste gedachtenstreepje, afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste 42 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren geen enkel geval van brucellose en tuberculose is geconstateerd en waar de herkauwers gedurende de laatste 30 dagen voorafgaande aan de verzending van de dieren negatief hebben gereageerd op een brucellose- en tuberculosetest conform de, voor zover van toepassing, krachtens artikel 6, onderdeel A, vierde lid, vastgestelde testvoorschriften en criteria dan wel, bij gebreke daaraan, de daarvoor geldende nationale voorschriften;
in voorkomend geval, voldaan is aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, of indien het hoefdieren, tevens zijnde suidae betreft, is gebleken dat:
voldaan is aan artikel 6, onder A, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat de relevante veterinairrechtelijke eisen voor varkens van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121) als bedoeld in artikel 6, onder A, derde lid, onderdeel c, de voorschriften zijn zoals neergelegd in de artikelen 4.3 en 4.4 van hoofdstuk 4 van deze regeling;
c. indien het bijen betreft, deze niet afkomstig zijn uit: een gebied waarbinnen bestrijdingsmaatregelen vanwege amerikaans vuilbroed gelden;
een gebied waarbinnen 30 dagen of korter geleden, voorafgaand aan de dag van afgifte van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 8.2, onderdeel c, dergelijke bestrijdingsmaatregelen van kracht zijn geweest, en, in voorkomend geval, is voldaan aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
een gebied waarbinnen bestrijdingsmaatregelen vanwege amerikaans vuilbroed gelden;
een gebied waarbinnen 30 dagen of korter geleden, voorafgaand aan de dag van afgifte van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 8.2, onderdeel c, dergelijke bestrijdingsmaatregelen van kracht zijn geweest, en, in voorkomend geval, is voldaan aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG;
d. indien het lagomorfen betreft, voldaan is aan artikel 9, eerste lid, van richtlijn 92/65/EEG, en, in voorkomend geval aan de algemene of beperkte aanvullende garanties, bedoeld in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG, met dien verstande dat tevens voldaan is aan artikel 9, derde lid, van richtlijn 92/65/EEG, indien de lagomorfen voor Ierland of het Verenigd Koninkrijk zijn bestemd en door deze lid-staten de verklaring als bedoeld in dat artikellid wordt verlangd;
e. indien het honden, katten of fretten betreft, voldaan is aan artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EG.