BWBR0007049
Geldig vanaf 2018-10-06
Artikel 5.8
Regeling handel levende dieren en levende producten
1. De partij paardachtigen is afkomstig uit een derde land of een deel van een derde land dat voorkomt op een krachtens artikel 12, eerste lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG vastgestelde lijst en voldoet, voor zover van toepassing, aan de voor dat land krachtens artikel 12, vierde lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG vastgestelde speciale invoervoorwaarden.
2. De partij paardachtigen voldoet, voor zover van toepassing, aan de krachtens artikel 12, derde lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG voor diergezondheidsdoeleinden vastgestelde lijsten en gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 12, derde lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG.
3. De partij paardachtigen gaat vergezeld van een certificaat als bedoeld in artikel 16 van richtlijn nr. 2009/156/EG, met dien verstande dat, indien de partij bestemd is voor Zweden, uit het certificaat blijkt dat is voldaan aan de voorschriften die Zweden stelt met betrekking tot de invoer van dieren uit landen die tegen mond- en klauwzeer inenten.
4. Aan de partij paardachtigen zijn geen stoffen toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EGniet aan paardachtigen mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan. Indien aan de partij diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of [bèta]-agonisten bevatten, en de partij binnen de wachttermijn wordt verhandeld, zijn op de documenten, bedoeld in het derde lid, aard en datum van de behandeling vermeld.
5. De partij paardachtigen voldoet, voor zover van toepassing, aan de bijzondere voorwaarden, gesteld in een krachtens artikel 19, onderdeel a, b, c, of d, van richtlijn nr. 2009/156/EGvastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.
2. De partij paardachtigen voldoet, voor zover van toepassing, aan de krachtens artikel 12, derde lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG voor diergezondheidsdoeleinden vastgestelde lijsten en gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 12, derde lid, van richtlijn nr. 2009/156/EG.
3. De partij paardachtigen gaat vergezeld van een certificaat als bedoeld in artikel 16 van richtlijn nr. 2009/156/EG, met dien verstande dat, indien de partij bestemd is voor Zweden, uit het certificaat blijkt dat is voldaan aan de voorschriften die Zweden stelt met betrekking tot de invoer van dieren uit landen die tegen mond- en klauwzeer inenten.
4. Aan de partij paardachtigen zijn geen stoffen toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EGniet aan paardachtigen mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan. Indien aan de partij diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of [bèta]-agonisten bevatten, en de partij binnen de wachttermijn wordt verhandeld, zijn op de documenten, bedoeld in het derde lid, aard en datum van de behandeling vermeld.
5. De partij paardachtigen voldoet, voor zover van toepassing, aan de bijzondere voorwaarden, gesteld in een krachtens artikel 19, onderdeel a, b, c, of d, van richtlijn nr. 2009/156/EGvastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.