BWBR0007049
Geldig vanaf 2018-10-06
Artikel 2.52
Regeling handel levende dieren en levende producten
1. De verboden, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005662/artikel/77" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 77, eerste lid, van de wet</a>, en in artikel 2.1, eerste lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, voor zover deze betrekking hebben op het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van dieren of producten, bestemd voor een staat, niet zijnde een lid-staat, die partij is bij het EER-Verdrag, gelden niet indien:
a. de dieren en producten vergezeld gaan van het bewijsstuk genoemd in: artikel 3.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
artikel 4.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
artikel 5.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
artikel 6.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
artikel 7.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
artikel 9.2, onderdeel a of b, van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het rundersperma, respectievelijk varkenssperma betreft;
artikel 10.2, onderdeel a, van afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het runderembryo's betreft;
artikel 3.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
artikel 4.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
artikel 5.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
artikel 6.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
artikel 7.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
artikel 9.2, onderdeel a of b, van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het rundersperma, respectievelijk varkenssperma betreft;
artikel 10.2, onderdeel a, van afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het runderembryo's betreft;
b. het bewijsstuk, bedoeld in onderdeel a, is opgesteld en afgegeven in overeenstemming met het EER-Verdrag, volledig is ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
2. De in het eerste lid bedoelde bewijsstukken worden afgegeven door de minister.
a. de dieren en producten vergezeld gaan van het bewijsstuk genoemd in: artikel 3.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
artikel 4.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
artikel 5.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
artikel 6.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
artikel 7.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
artikel 9.2, onderdeel a of b, van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het rundersperma, respectievelijk varkenssperma betreft;
artikel 10.2, onderdeel a, van afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het runderembryo's betreft;
artikel 3.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 3, indien het runderen betreft;
artikel 4.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 4, indien het varkens betreft;
artikel 5.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 5, indien het paardachtigen betreft;
artikel 6.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 6, indien het pluimvee en broedeieren betreft;
artikel 7.2 van afdeling 2 van hoofdstuk 7, indien het schapen of geiten betreft;
artikel 9.2, onderdeel a of b, van afdeling 2 van hoofdstuk 9, indien het rundersperma, respectievelijk varkenssperma betreft;
artikel 10.2, onderdeel a, van afdeling 2 van hoofdstuk 10, indien het runderembryo's betreft;
b. het bewijsstuk, bedoeld in onderdeel a, is opgesteld en afgegeven in overeenstemming met het EER-Verdrag, volledig is ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken.
2. De in het eerste lid bedoelde bewijsstukken worden afgegeven door de minister.