1. Ter voorkoming van de verspreiding van smetstof door dieren die niet worden gehouden, zijn de
artikelen 15, vierde lid,
17,
19,
21,
22, eerste lid,
24, eerste liden
116 van de wetvan overeenkomstige toepassing op niet gehouden dieren.
2. De verplichting uit
artikel 19, eerste lid, van de wetgeldt in het kader van dit besluit voor iemand die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een niet gehouden dier verschijnselen vertoont van een besmettelijke dierziekte.
3. Iemand die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een niet gehouden dier verschijnselen vertoont van een besmettelijke dierziekte is verplicht aan een dierenarts of aan een in
artikel 114, tweede lid, van de wetbedoelde ambtenaar naar waarheid alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen, welke dezen redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig hebben en al datgene te doen wat in zijn vermogen ligt om de aard van de ziekte zo spoedig mogelijk te doen vaststellen.