1. Een verzoekschrift, als bedoeld in
artikel 4 van de wet, vermeldt in ieder geval:
a. de naam van degene voor wie een voorlopige machtiging, een voorwaardelijke machtiging of een observatiemachtiging wordt verzocht en de plaats waar deze zich bevindt;
b. de naam en het adres van de degene die het verzoek indient;
c. in welke betrekking de verzoeker staat tot de persoon voor wie een voorlopige machtiging, een voorwaardelijke machtiging of een observatiemachtiging wordt gevraagd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoekschrift als bedoeld in
artikel 34g van de wet.