Voor de periode, eindigend een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, kan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur regels stellen met betrekking tot de lengte van de termijnen, genoemd in de onderdelen B, E en onderdeel I van artikel I, de onderdelen E en I van artikel II, de onderdelen C, E en onderdeel I van artikel III, de onderdelen B, D en onderdeel I van artikel IV en de onderdelen C, E en onderdeel J van artikel V, die afwijken van het gestelde in deze onderdelen. De Raad stelt degenen, die gedurende dat jaar een aanvraag of bezwaarschrift indienen, van deze regels in kennis.