Artikel VI
1. Tot aan het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1998 mogen banken als bedoeld in artikel 415, voor zover dit geboden is om redenen van voorzichtigheid wegens de algemene risico's van haar bankbedrijf, de niet tot de vaste activa, en evenmin tot de handelsportefeuille behorende effecten als omschreven in het tweede lid, alsmede de vorderingen op bankiers en cliënten met ten hoogste 4% onderwaarderen van de verkrijgingsprijs of lagere marktwaarde of wat betreft de vorderingen van de boekwaarde.
2. De in lid 1 bedoelde effecten zijn de waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, met uitzondering van schatkistpapier en andere bij de centrale bank in het land of de landen waar de bank gevestigd is te belenen waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, en de overige effecten die niet als deelnemingen worden gehouden.
3. Indien lid 1 wordt toegepast, worden de in dat lid bedoelde effecten en vorderingen op de grondslag van de verkrijgingsprijs gewaardeerd en worden het resultaat van de transacties in de in dat lid bedoelde effecten, alsmede de waardeveranderingen van deze effecten met het in artikel 420 lid 2bedoelde bedrag van de waardeveranderingen gesaldeerd. In afwijking van artikel 422 lid 3behoeft het verschil tussen de verkrijgingsprijs en de hogere marktwaarde niet te worden vermeld.
4. Vermeldingen en bedragen worden in de toelichting opgenomen rekening houdende met de toepassing van lid 1. Hetzelfde geldt voor de gegevens bedoeld in artikel 392 lid 1, onderdeel g.
5. In de geconsolideerde jaarrekening van een rechtspersoon die geen bank als bedoeld in artikel 415is, mag ten aanzien van groepsmaatschappijen die bank zijn, te zamen met de in artikel 426 lid 1bedoelde andere groepsmaatschappijen, het eerste tot en met vierde lid worden toegepast.
6. Indien een deelneming in een bank als bedoeld in artikel 415door een rechtspersoon die geen bank is, wordt verantwoord overeenkomstig artikel 389mag het eerste tot en met vierde lid worden toegepast.
7. Het eerste lid mag niet worden toegepast:
a. in de geconsolideerde jaarrekening van een bank ten aanzien van groepsmaatschappijen die geen bank zijn en wier werkzaamheden niet rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen.
b. in de jaarrekening van een bank bij de verantwoording overeenkomstig artikel 389 van deelnemingen die geen bank zijn en wier werkzaamheden niet rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen.
c. door financiële instellingen die overeenkomstig artikel 400 afdeling 14 toepassen.
8. Indien lid 1 wordt toegepast, wordt het totale bedrag van de onderwaardering alsmede dat van de terugnemingen gemeld aan De Nederlandsche Bank N.V.
2. De in lid 1 bedoelde effecten zijn de waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, met uitzondering van schatkistpapier en andere bij de centrale bank in het land of de landen waar de bank gevestigd is te belenen waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, en de overige effecten die niet als deelnemingen worden gehouden.
3. Indien lid 1 wordt toegepast, worden de in dat lid bedoelde effecten en vorderingen op de grondslag van de verkrijgingsprijs gewaardeerd en worden het resultaat van de transacties in de in dat lid bedoelde effecten, alsmede de waardeveranderingen van deze effecten met het in artikel 420 lid 2bedoelde bedrag van de waardeveranderingen gesaldeerd. In afwijking van artikel 422 lid 3behoeft het verschil tussen de verkrijgingsprijs en de hogere marktwaarde niet te worden vermeld.
4. Vermeldingen en bedragen worden in de toelichting opgenomen rekening houdende met de toepassing van lid 1. Hetzelfde geldt voor de gegevens bedoeld in artikel 392 lid 1, onderdeel g.
5. In de geconsolideerde jaarrekening van een rechtspersoon die geen bank als bedoeld in artikel 415is, mag ten aanzien van groepsmaatschappijen die bank zijn, te zamen met de in artikel 426 lid 1bedoelde andere groepsmaatschappijen, het eerste tot en met vierde lid worden toegepast.
6. Indien een deelneming in een bank als bedoeld in artikel 415door een rechtspersoon die geen bank is, wordt verantwoord overeenkomstig artikel 389mag het eerste tot en met vierde lid worden toegepast.
7. Het eerste lid mag niet worden toegepast:
a. in de geconsolideerde jaarrekening van een bank ten aanzien van groepsmaatschappijen die geen bank zijn en wier werkzaamheden niet rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen.
b. in de jaarrekening van een bank bij de verantwoording overeenkomstig artikel 389 van deelnemingen die geen bank zijn en wier werkzaamheden niet rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen.
c. door financiële instellingen die overeenkomstig artikel 400 afdeling 14 toepassen.
8. Indien lid 1 wordt toegepast, wordt het totale bedrag van de onderwaardering alsmede dat van de terugnemingen gemeld aan De Nederlandsche Bank N.V.