1. De vreemdeling wordt ondergebracht individueel of in een groep, waarvan de directeur de samenstelling bepaalt. Aan elke vreemdeling of groep van vreemdelingen wordt een verblijfsruimte toegewezen.
Gedurende de voor de nachtrust bestemde uren is de vreemdeling gehouden in de aan hem of aan de groep waartoe hij behoort toegewezen ruimte te verblijven.
2. De directeur kan bevelen dat een vreemdeling in afzondering wordt geplaatst:
a. indien hij hierom verzoekt;
b. indien en voor zolang als dit volstrekt noodzakelijk is teneinde zijn verblijf te verzekeren dan wel de veiligheid en orde in het grenslogies te handhaven.
3. Indien de tenuitvoerlegging van de in het tweede lid onder
bbedoelde afzondering in het grenslogies op ernstige bezwaren stuit kan de directeur bevelen dat de afzondering in een andere ruimte als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000wordt ondergaan.
4. Alvorens de vreemdeling in afzondering wordt geplaatst op de grond als bedoeld onder
bvan het tweede lid, hoort de directeur hem, tenzij de veiligheid en orde in de inrichting dit niet toelaten of communicatie met hem niet mogelijk is.