1. Voor de werkloze werknemer en de echtgenoot waarvan een of elk van beiden jonger dan 21 jaar is en die in de periode van zes maanden voor de inwerkingtreding van deze wet uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersontvingen en voor wie de verlening van uitkering voor een periode niet langer dan zes maanden is onderbroken, is artikel 4, derde lid, onderdeel
a, en artikel 8, tweede lid, onderdeel
a, 1°, van die wet van toepassing.
2. Voor de alleenstaande werkloze werknemer jonger dan 21 jaar met een of meer kinderen en de thuisinwonende werkloze werknemer jonger dan 21 jaar met een of meer kinderen die in de periode van zes maanden voor de inwerkingtreding van deze wet uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersontving en voor wie de verlening van uitkering voor een periode niet langer dan zes maanden is onderbroken, is artikel 4, derde lid, onderdeel
b, en artikel 8, tweede lid, onderdeel
b, van die wet van toepassing.
3. Voor de alleenstaande werkloze werknemer van 20 jaar en de thuisinwonende werkloze werknemer van 20 jaar zonder kinderen die in de periode van zes maanden voor de inwerkingtreding van deze wet uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersontving en voor wie de verlening van uitkering voor een periode niet langer dan zes maanden is onderbroken, bedraagt de grondslag:
a. indien het betreft een alleenstaande werkloze werknemer: f 1188,28 per maand [per 1 januari 1993: f 1244,10];
b. indien het betreft een thuisinwonende werkloze werknemer: f 624,05 per maand [per 1 januari 1993: f 624,55].
4. Onze Minister wijzigt de in het derde lid genoemde bedragen voor zover de ontwikkeling van het netto minimumloon en netto minimumjeugdloon, gerekend vanaf 1 januari 1991, daartoe aanleiding geeft.