1. De zomervakantie omvat voor de scholen voor basisonderwijs (b.o.) en voor de scholen voor speciaal onderwijs alsmede het speciaal onderwijs aan een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (s.o.) het in het derde lid aangegeven aaneengesloten tijdvak van zes weken.
2. De zomervakantie omvat voor de scholen voor voortgezet onderwijs (v.o.) en voor de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs alsmede het voortgezet speciaal onderwijs aan een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (v.s.o.) het in het derde lid aangegeven aaneengesloten tijdvak van zeven weken ofwel 35 schooldagen.
3. Het begin en het einde van de zomervakantie van de scholen zijn voor de jaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997 en 1998 vastgesteld, zoals hieronder is aangegeven.
4. Het bevoegd gezag van een school kan de zomervakantie, zoals vastgesteld in het derde lid, verlengen met ten hoogste twee dagen voorafgaand aan de voor de school geldende periode en twee dagen na deze periode.
5. In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag van een school die gevestigd is in een gemeente die tegen een regiogrens aanligt en minder dan 50.000 inwoners telt, de zomervakantie één week verschuiven, zodanig dat de gemeenschappelijke periode op vijf weken wordt gebracht, indien de gemeenschappelijke periode van de zomervakantie van het basisonderwijs en het speciaal onderwijs in de ene regio met die van het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in de andere regio slechts vier weken bedraagt. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
6. Het bevoegd gezag van een school, als bedoeld in artikel in de definitie ‘scholen’, onderdeel b, indien het betreft
a. een school voor zeer moeilijk lerende kinderen;
b. een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen;
c. een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen;
d. een school voor langdurig zieke kinderen;
e. een school voor meervoudig gehandicapte kinderen;
f. een school waaraan een afdeling voor zeer moeilijk lerende kinderen is verbonden;
g. een school waaraan een afdeling voor meervoudig gehandicapte kinderen is verbonden, kan de perioden, bedoeld in het derde lid, verkorten;
7. Het bevoegd gezag van een school, als bedoeld in artikel 1in de definitie ‘scholen’, onderdeel b, indien het betreft een school voor moeilijk lerende kinderen, kan bij de minister van onderwijs en wetenschappen een verzoek indienen om verkorting van de perioden, bedoeld in het derde lid, indien voor de duur van deze perioden verzorging van deze kinderen door de ouders niet mogelijk is of hun behandeling niet langdurig mag worden onderbroken.