A. 1. Deze wet treedt in werking: a. voor wat betreft artikel I, onderdeel C, H, L, M, N, O, Q, R, W, eerste lid, X, EE, FF, LL, MM, NN, PP, SS, voor zover het betreft artikel 107, tweede lid, de onderdelen a, voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met een of meer afdelingen uit twee van de groepen bedoeld in artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o van de Wet op het voortgezet onderwijs, b, c, en d en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel V, onderdeel A, C, D en E met ingang van 1 augustus 1992.
b. voor wat betreft artikel I, onderdeel A, B, D, E, F, G, I, J, K, P, S, T, U, V, W, tweede en derde lid, Y, Z, AA, BB, CC, DD, GG, HH, II, JJ, KK, OO, artikel III en artikel IV, onderdeel A, eerste en derde lid, en onderdeel B en C, met ingang van 1 augustus 1993 met dien verstande dat: 1°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1993 van toepassing zijn op het eerste leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
2°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1994 van toepassing zijn op de eerste twee leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
3°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995 van toepassing zijn op de eerste drie leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
1°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1993 van toepassing zijn op het eerste leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
2°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1994 van toepassing zijn op de eerste twee leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
3°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995 van toepassing zijn op de eerste drie leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
c. voor wat betreft artikel I, de onderdelen QQ en RR, artikel IV, onderdeel A, tweede lid, en artikel VI met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst,
d. voor wat betreft artikel I, onderdeel SS, voor zover het betreft artikel 107, eerste lid, tweede lid onderdeel a, voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met een of meer afdelingen uit een van de groepen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o, van de Wet op het voortgezet onderwijs, derde en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995, met dien verstande dat voor zover een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt van de scholengemeenschap, bedoeld in artikel 107, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor deze school tot 1 augustus 1995 het bepaalde in artikel 107, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs van toepassing is en met dien verstande dat de leerlingtelling, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, met het oog op de toepassing van dat onderdeel plaatsvindt met ingang van 15 september 1991,
e. voor wat betreft artikel II met ingang van 1 augustus 1993, met dien verstande dat de verplichting bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs in werking treedt in beginsel binnen drie jaar maar in elk geval binnen vijf jaar na de vaststelling van de kerndoelen als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs,
f. voor wat betreft artikel V, onderdeel B, met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
a. voor wat betreft artikel I, onderdeel C, H, L, M, N, O, Q, R, W, eerste lid, X, EE, FF, LL, MM, NN, PP, SS, voor zover het betreft artikel 107, tweede lid, de onderdelen a, voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met een of meer afdelingen uit twee van de groepen bedoeld in artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o van de Wet op het voortgezet onderwijs, b, c, en d en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel V, onderdeel A, C, D en E met ingang van 1 augustus 1992.
b. voor wat betreft artikel I, onderdeel A, B, D, E, F, G, I, J, K, P, S, T, U, V, W, tweede en derde lid, Y, Z, AA, BB, CC, DD, GG, HH, II, JJ, KK, OO, artikel III en artikel IV, onderdeel A, eerste en derde lid, en onderdeel B en C, met ingang van 1 augustus 1993 met dien verstande dat: 1°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1993 van toepassing zijn op het eerste leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
2°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1994 van toepassing zijn op de eerste twee leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
3°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995 van toepassing zijn op de eerste drie leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
1°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1993 van toepassing zijn op het eerste leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
2°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1994 van toepassing zijn op de eerste twee leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
3°. de artikelen 11a tot en met 11f van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995 van toepassing zijn op de eerste drie leerjaren van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a van die wet,
c. voor wat betreft artikel I, de onderdelen QQ en RR, artikel IV, onderdeel A, tweede lid, en artikel VI met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst,
d. voor wat betreft artikel I, onderdeel SS, voor zover het betreft artikel 107, eerste lid, tweede lid onderdeel a, voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met een of meer afdelingen uit een van de groepen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o, van de Wet op het voortgezet onderwijs, derde en vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus 1995, met dien verstande dat voor zover een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt van de scholengemeenschap, bedoeld in artikel 107, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor deze school tot 1 augustus 1995 het bepaalde in artikel 107, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs van toepassing is en met dien verstande dat de leerlingtelling, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, met het oog op de toepassing van dat onderdeel plaatsvindt met ingang van 15 september 1991,
e. voor wat betreft artikel II met ingang van 1 augustus 1993, met dien verstande dat de verplichting bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs in werking treedt in beginsel binnen drie jaar maar in elk geval binnen vijf jaar na de vaststelling van de kerndoelen als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs,
f. voor wat betreft artikel V, onderdeel B, met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Tot de in het eerste lid genoemde tijdstippen blijft voor de desbetreffende scholen artikel 107, eerste tot en met vierde lid, zoals dat luidt op 31 juli 1992 van toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, treedt artikel I, onderdeel J, voor wat betreft artikel 11f, voor zover het betreft de scholen voor h.a.v.o. en v.w.o. in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het koninklijk besluit, bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het koninklijk besluit treedt niet in werking dan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in dat besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
B. Vervallen.