De commissie heeft tot taak aan de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Defensie rapport uit te brengen met betrekking tot de praktijk, zoals die zich voordoet bij de toepassing van het herziene militaire straf-, strafproces- en tuchtrecht, in welk rapport de commissie conclusies uit het in onze opdracht te verrichten en door de commissie te begeleiden evaluatieonderzoek kan neerleggen en, indien de commissie daartoe aanleiding aanwezig acht, aanbevelingen op grond van deze conclusies kan doen.
a. Aan de commissie is een secretariaat toegevoegd. Dit secretariaat staat onder leiding van de secretaris.
b. Het secretariaat is voor de uitoefening van zijn taak verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.
Het in artikel 3bedoelde evaluatieonderzoek zal worden verricht door een door ons aan te wijzen onderzoeksinstituut. Over de te geven onderzoeksopdracht zal de commissie worden gehoord.
De commissie neemt bij haar werkzaamheden zodanige voorzorgen in acht, dat de persoonlijke levenssfeer van de bij het onderzoek te betrekken personen wordt gewaarborgd.
Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn werkzaamheden ten behoeve van de commissie de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
a. De commissie brengt zo mogelijk binnen twaalf maanden na instelling rapport uit.
b. De commissie dient haar bevindingen schriftelijk vast te leggen in een eindrapport.
Dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer, zal met toelichting worden geplaatst in de Staatscourant en treedt in werking op 1 juni 1992.