1. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van deze wet recht heeft op pensioen, wordt door het bestuur een herberekening gemaakt van dat pensioen overeenkomstig het tweede, derde, vierde en vijfde lid, met ingang van de datum van ingang van dat pensioen.
2. Het door de belanghebbende, niet zijnde een invaliditeitsgepensioneeerde die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, over het jaar 1989 ontvangen bruto pensioen wordt met inachtneming van artikel Iherberekend. Het verschil tussen het aldus herberekende pensioen en het in 1989 daadwerkelijk ontvangen bruto pensioen wordt als nabetaling over 1989 uitgekeerd door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.
3. Indien de belanghebbende bedoeld in het tweede lid reeds voor het jaar 1989 een pensioen ontving, niet zijnde een pensioen van een invaliditeitsgepensioneerde die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, wordt het bedrag van de nabetaling in verband met het ontvangen van een te laag pensioen als volgt vastgesteld. De nabetaling over 1989, bedoeld in het tweede lid, wordt vermenigvuldigd met de tijd waarover de belanghebbende voor 1 januari 1989 reeds het in de eerste volzin bedoelde pensioen heeft ontvangen. Het aldus vastgestelde bedrag wordt als nabetaling over de periode voor 1 januari 1989 eveneens uitgekeerd door het fonds.
4. Herberekening van een invaliditeitspensioen over de periode dat de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, vindt slechts dan plaats indien artikel 1 leidt tot een hoger invaliditeitspensioen gedurende die periode. In voorkomend geval vinden het tweede en derde lid overeenkomstige toepassing.
5. De pensioenen van belanghebbenden die zijn ingegaan voor 1 januari 1966 worden voor zover nodig herberekend overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid.
6. Geen herberekening vindt plaats van pensioen waarop het recht is beëindigd voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling door:
a. het overlijden van de belanghebbende,
b. het beëindigen van het wezenpensioen op grond van artikel Q5, vierde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, of
c. de afkoop van pensioen op grond van artikel R4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet.