1. De uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering (
Stb.1987, 400) blijven voor de op of na 1 april 1991 resterende duur en hoogte gehandhaafd met dien verstande dat met de inwerkingtreding van dit besluit de bepalingen van hoofdstuk I-H van het
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel(
Stb.1985, 110) daarop overigens van toepassing zijn, een en ander met uitzondering van de artikelen I-H2 tot en met I-H10, artikel I-H12, artikel I-H15 en artikel I-H18.
2. Ten aanzien van een op basis van artikel 26, eerste tot en met het vierde lid, van de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering toegekend recht op uitkering, dat vóór het voor de betrokken belanghebbende in artikel 32 van de regeling bedoelde tijdstip is geëindigd, blijft, indien de omstandigheden die tot dat eindigen hebben geleid of zouden hebben geleid op of na 1 april 1991 ophouden te bestaan, artikel 26, achtste lid, van de regeling van toepassing.