1. Ter zake van voorzieningen die in gebruik zijn genomen dan wel zijn voltooid voordat een jaar na inwerkingtreding van deze wet is verstreken, behoeft geen besluit als bedoeld in het vierde lid van artikel 273aof
274 van de gemeentewette worden genomen. Voor de heffing van de baatbelasting en de bouwgrondbelasting blijven ter zake van die voorzieningen de artikelen 273aen
274 van de gemeentewet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
2. Ter zake van voorzieningen waarvan de totstandbrenging is aangevangen voordat een jaar na inwerkingtreding van deze wet is verstreken en welke niet voor het verstrijken van die termijn in gebruik zijn genomen dan wel zijn voltooid, en waarvoor geen besluit als bedoeld in het vierde lid van artikel 273aof
274 van de gemeentewetis genomen neemt de raad binnen één maand na afloop van deze termijn alsnog een zodanig besluit.