BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 9
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Betalingstermijnen 1. Algemeen Artikel 9 bevat de regeling betreffende de betalingstermijnen waarbinnen belastingaanslagen moeten worden betaald. De toegestane betalingstermijnen moeten onverkort door de belastingschuldige kunnen worden benut, tenzij artikel 10 van de wet door de ontvanger van toepassing wordt verklaard. Tenzij sprake is van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet kan verrekening ook plaatsvinden als de betalingstermijnen nog niet zijn verstreken. Zie ook artikel 24, § 1, vierde lid, van deze leidraad. 2. Regeling betalingstermijnen De regeling inzake de betalingstermijnen kan worden onderscheiden in de volgende categorieën. Algemene betalingstermijn 2.1. Artikel 9, eerste lid, van de wet heeft betrekking op: - (conserverende) (primitieve) aanslagen in de inkomstenbelasting en (primitieve) aanslagen in de vennootschapsbelasting die in het (kalender-)jaar waarop zij betrekking hebben, zijn gedagtekend; - (conserverende) voorlopige aanslagen en (conserverende) (primitieve) aanslagen in de inkomstenbelasting en voorlopige aanslagen en (primitieve) aanslagen in de vennootschapsbelasting, die zijn gedagtekend na het (kalender)jaar waarop die aanslagen betrekking hebben; - voorlopige aanslagen en (primitieve) aanslagen in de rechten van successie, van schenking en van overgang. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de wet geldt voor alle hiergenoemde belastingaanslagen één betalingstermijn van twee maanden. Opgemerkt wordt dat deze algemene betalingstermijn van twee maanden ook geldt voor de zogenoemde losse boetebeschikkingen (boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag en boetebeschikkingen die wel in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag, maar niet gelijktijdig met die belastingaanslag zijn vastgesteld) alsmede voor boetebeschikkingen die gelijktijdig zijn vastgesteld met een belastingaanslag waarvoor een betalingstermijn van twee maanden geldt (zie met betrekking tot deze beschikkingen ook hierna onder punt 2.8.) en voor alle uit te betalen bedragen vastgesteld bij beschikking, bij uitspraak op bezwaar, bij beschikking bij ambtshalve vermindering of ingevolge een rechterlijke uitspraak. Betalingstermijn navorderingsaanslagen 2.2. Artikel 9, tweede lid, van de wet heeft betrekking op navorderingsaanslagen in: - de inkomstenbelasting; - de vennootschapsbelasting; - de rechten van successie, van schenking en van overgang. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de wet geldt voor alle hiergenoemde navorderingsaanslagen, alsmede voor de conserverende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en in het recht van successie en van schenking, één betalingstermijn van een maand. Betalingstermijn naheffingsaanslagen 2.3. Artikel 9, tweede lid, van de wet heeft voorts betrekking op naheffingsaanslagen in: - de loonbelasting; - de omzetbelasting; - de belasting van personenauto's en motorrijwielen die zijn opgelegd aan een vergunninghouder; - de belasting zware motorrijtuigen die zijn opgelegd aan de houder van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen; - de kansspelbelasting; - de dividendbelasting; - de motorrijtuigenbelasting; - de belastingen van rechtsverkeer (overdrachtsbelasting, assurantiebelasting, kapitaalsbelasting en beursbelasting); - de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak; - de accijns en naheffingsaanslagen voorraadheffing in het kader van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten; - de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de wet geldt voor deze naheffingsaanslagen één betalingstermijn van veertien dagen. Douane 2.4. Betalingstermijnen douanesfeer Artikel 9, vierde lid, van de wet ziet op uitnodigingen tot betaling en op een op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 DW. Op grond van artikel 9, vierde lid, van de wet geldt een betalingstermijn van tien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. Uitzonderingen op de algemene betalingstermijn 2.5. Artikel 9, vijfde lid, van de wet heeft betrekking op de in een (kalender)jaar opgelegde en op dat zelfde jaar betrekking hebbende (conserverende) voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting en de voorlopige aanslagen in de vennootschapsbelasting. Op grond van artikel 9, vijfde lid, van de wet geldt voor alle hiergenoemde voorlopige aanslagen een aantal betalingstermijnen van elk één maand, welk aantal gelijk is aan het aantal maanden van het jaar dat overblijft na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. Als evenwel toepassing van het vijfde lid er niet toe leidt dat er in minimaal drie maandelijkse termijnen betaald kan worden, schrijft de laatste volzin van het vijfde lid voor dat de uniforme betalingstermijn van twee maanden van artikel 9, eerste lid, van toepassing is. Dit leidt er toe dat bij een dagtekening in oktober, november of december de eerste volzin - die zou leiden tot twee termijnen, tot één termijn dan wel in het geheel geen termijn - geen toepassing vindt, maar dat de algemene betalingstermijn van het eerste lid geldt, dat wil zeggen gehele betaling binnen twee maanden. In de gevallen waarin voor voorlopige aanslagen die zijn gedagtekend in oktober of eerder toepassing van de wet er toe zou leiden dat de enige of laatste betalingstermijn eindigt voor 31 december, wordt de vervaldag van deze termijn op 31 december gesteld. Bij afwijkende boekjaren wordt de laatste vervaldag steeds op de laatste dag van de maand gesteld. 2.5a. Artikel 9, zesde en zevende lid, van de wet heeft betrekking op voorlopige teruggaven. Het zesde lid bepaalt dat indien de voorlopige teruggaaf waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, de voorlopige teruggaaf invorderbaar is in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er, met inbegrip van de maand van dagtekening van het aanslagbiljet, nog maanden van het jaar overblijven. Artikel 9, zevende lid, van de wet ziet op voorlopige teruggaven die een dagtekening hebben die ligt voor het jaar waarover die zijn vastgesteld. Deze zijn invorderbaar in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als het jaar maanden heeft, waarvan de eerste vervalt aan het eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige teruggaaf is vastgesteld. Afwijking van de termijnen, bedoeld in het zesde en zevende lid, die zien op belastingaanslagen inzake voorlopige teruggaven is mogelijk in de volgende gevallen: a. indien een verzoek om een voorlopige teruggaaf tijdig is gedaan, maar oplegging van de betreffende belastingaanslag bedoeld in die leden meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is en deze vertraging te wijten is aan een verzuim van de Belastingdienst; b. indien een verzoek om een voorlopige teruggaaf inzake heffingskortingen door een bijstandsgerechtigde is gedaan en hij schriftelijk verzocht heeft de verstreken maanden/termijnen bij de eerste termijnbetaling volgend op de dagtekening van de voorlopige teruggaaf in één keer uit te betalen; c. indien de belastingschuldige in het jaar waarop de voorlopige teruggaaf ziet 65 jaar wordt; d. indien de belastingschuldige in het jaar waarop de voorlopige teruggaaf ziet overlijdt. De situatie onder a strekt ertoe rekening te houden met reeds verstreken termijnen/maanden in het geval het verzoek om een voorlopige teruggaaf tijdig is ingediend, maar te laat wordt vastgesteld door een verzuim van de Belastingdienst. Gedacht moet worden aan de volgende situatie. Stel dat een belastingplichtige in begin juli 2002 een verzoek om een voorlopige teruggaaf indient. Volgens het verzoek bestaat recht op een teruggaaf van € 12.000. De voorlopige teruggaaf wordt, door een verzuim van de Belastingdienst pas gedagtekend in november 2002. Volgens de wet zou moeten worden uitbetaald in 2 termijnen van € 6000 (termijnen november en december). Op grond van het bepaalde onder a kan in november worden overgegaan tot een uitbetaling van € 11.000 ineens en vervolgens in de maand december tot een uitbetaling van € 1000. De situatie onder b is in zijn uitwerking gelijk aan a. Het moet in de situaties onder b echter gaan om voorlopige teruggaven inzake heffingskortingen al dan niet gecombineerd met aftrekbare kosten en niet om voorlopige teruggaven uitsluitend in verband met aftrekbare kosten. Bovendien moet in deze situaties altijd sprake zijn van een verzoek van de belastingschuldige. De situatie onder c ziet op belastingschuldigen die in de loop van het belastingjaar 65 jaar worden. Stel dat iemand in juli 2001 65 jaar wordt en recht heeft op een voorlopige teruggaaf over januari tot en met juni van € 6000 (dagtekening voorlopige teruggaaf januari 2001). Volgens de wet zou dit bedrag maandelijks moeten worden uitbetaald, dus in 12 termijnen van € 500. Op grond van het onder c bepaalde kan het betreffende bedrag worden uitbetaald in 6 termijnen van € 1000 (maanden januari tot en met juni). Ingeval de belastingschuldige, in het belastingjaar waarop de voorlopige teruggaaf ziet, overlijdt (situatie d) komen de erfgenamen in beginsel in aanmerking voor uitbetaling in één keer van het restant van de voorlopige teruggaaf. Stel dat een voorlopige teruggaaf over 2001 is verleend van € 12.000 en die teruggaaf wordt uitbetaald in 12 maanden van € 1000. Indien de belastingschuldige eind juli overlijdt, zouden de erfgenamen in augustus in één keer € 5000 uitbetaald kunnen krijgen. Opgemerkt wordt dat afwijking van de termijnen waar het in de situaties onder a tot en met c om gaat, niet plaatsvindt als een derde aanspraak maakt op een voorlopige teruggaaf ingevolge een gelegd derdenbeslag of indien de voorlopige teruggaaf kan worden verrekend met een te betalen belastingaanslag. De vorige volzin is niet van toepassing in de situatie onder b, indien de derde de gemeentelijke sociale dienst is, die teveel betaalde bijstand terugvordert, welke teveelbetaling het gevolg is van niet op de bijstandsuitkering in mindering gebrachte heffingskortingen al dan niet gecombineerd met aftrekbare kosten. 2.6. Artikel 9, achtste lid, van de wet heeft betrekking op naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto's en motorrijwielen die zijn opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Op grond van artikel 9, achtste lid, van de wet geldt voor deze aanslagen geen betalingstermijn en zijn zij dus terstond invorderbaar. Datzelfde geldt voor naheffingsaanslagen in de belasting van zware motorrijtuigen die zijn opgelegd aan de houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen. 2.7. Artikel 9, negende lid, van de wet heeft betrekking op de uitnodigingen tot betaling die zijn vastgesteld overeenkomstig een op een kalendermaand betrekking hebbende, aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid, CDW. Deze uitnodigingen zijn, op grond van artikel 9, negende lid, van de wet invorderbaar vijftien dagen na de maand waarover aangifte is gedaan, met dien verstande dat de uitnodiging tot betaling terzake van de aangifte over de maand februari invorderbaar is na zestien maart. Voorts wordt nog gewezen op de regeling periodieke aangifte en de regeling van het maandkrediet. De regeling periodieke aangifte (veelal aangeduid als maandaangifte) maakt het een vergunninghouder mogelijk een opgave te doen van de goederen die zijn ingevoerd in een bepaalde periode. Het totaal verschuldigde bedrag wordt na afloop van deze periode formeel vastgesteld in de vorm van een uitnodiging tot betaling. Naar aanleiding van de ontvangen aangifte zal een uitnodiging tot betaling moeten worden verzonden. Aangezien op grond van artikel 226, onderdeel c, CDW uitstel van betaling is verleend voor het totaal verschuldigde bedrag dat op de periodieke aangifte staat vermeld, dient de vervaldatum van deze uitnodiging tot betaling te worden bepaald aan de hand van de regeling in artikel 227, eerste lid, onderdeel c, CDW. Als sprake is van een periode van een maand zal de vervaldatum liggen op de 15e van de volgende maand, met uitzondering van de aangifte over februari waarvan de vervaldatum op 16 maart valt. De regeling van het maandkrediet is verankerd in de artikelen 218, eerste lid, tweede alinea, en 226, onderdeel b, CDW. Binnen het kader van deze regeling is het mogelijk om de betaling van in de loop van een maand ontstane verplichtingen na afloop van deze maand te verrichten. Het verschil met de faciliteit van de periodieke aangifte is dat de aangever die gebruik maakt van de faciliteit van het maandkrediet gedurende de door de douane toegestane periode (=kalendermaand op grond van artikel 58 Douanebesluit) voor elke invoer een individuele aangifte indient die uiterlijk de tweede dag na indiening dient te worden geboekt. Na elke aangifte wordt aan de aangever een uitnodiging tot betaling verzonden. Voor de in de loop van een maand verzonden uitnodigingen tot betaling wordt door de Centrale Douaneadministratie, na afloop van de maand een "mededeling afloop betalingstermijn" aan de klant verzonden waarin is vermeld welk bedrag per saldo verschuldigd is over de afgelopen maand. Daarbij wordt een overzicht gevoegd van de aangiften die in die maand zijn behandeld. Op grond van artikel 227, eerste lid, onderdeel b, en artikel 227, tweede lid, CDW dient de schuldenaar het verschuldigde bedrag op de 15e van de volgende maand te voldoen. Voor de verplichting over de maand februari geldt als vervaldatum 16 maart. Bestuurlijke boeten, heffingsrente en revisierente 2.8. Betalingstermijnen beschikkingen boeten, heffingsrente en revisierente Op grond van artikel 9, derde lid, van de wet gelden voor boetebeschikkingen die in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag en gelijktijdig met die belastingaanslag zijn vastgesteld dezelfde betalingstermijnen als voor die belastingaanslag. Voor de zogenoemde losse boetebeschikkingen wordt verwezen naar punt 2.1. hiervoor. Beschikkingen inzake heffings- en revisierente kennen dezelfde betalingstermijnen als die welke gelden voor de belastingaanslagen waarmee die renten verband houden. 2a. Uitbetaling ineens voorlopige teruggaven Ingevolge artikel 9, zesde en zevende lid, van de wet worden voorlopige teruggaven in maandelijkse termijnen uitbetaald. Uit doelmatigheidsoverwegingen wordt hier van afgeweken als het maandelijks termijnbedrag niet groter is dan € 23 per maand. In dat geval worden de voorlopige teruggaven in één keer uitbetaald. Dit laatste lijdt uitzondering indien een derde aanspraak maakt op een voorlopige teruggaaf ingevolge een gelegd derdenbeslag of indien de voorlopige teruggaaf wordt verrekend met een te betalen belastingaanslag. 3. Dagtekening De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 4. Begrip "maand" Het in artikel 9 van de wet gehanteerde begrip "maand" heeft dezelfde inhoud als het begrip "maand" dat in de AWR wordt gehanteerd. 5. Geen termijnverlenging Op de betalingstermijnen van artikel 9 van de wet is de Algemene Termijnenwet niet van toepassing. 6. Bezwaar- of beroepschrift schorst betalingsverplichting niet De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de enkele omstandigheid dat een bezwaar- of beroepschrift tegen de belastingaanslag is ingediend. Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen voor (een gedeelte van) de opgelegde belastingaanslag. In dit verband wordt verwezen naar het vermelde onder artikel 25 van deze leidraad.