BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 4b
Leidraad invordering 1990
Hoofdstuk XVI. Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-staten ... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Algemeen 1. Richtlijn Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-staten voorziet in een verruiming van de deelnemingsvrijstelling en in het achterwege blijven van inhouding van dividendbelasting. De Richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door middel van de Wet van 10 september 1992, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies etc.), die terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1992. 2.1. Geen inhouding van dividendbelasting Artikel 4a Wet op de dividendbelasting 1965 Als aan een aantal voorwaarden is voldaan, blijft inhouding van dividendbelasting achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen en winstbewijzen die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de EU gevestigd lichaam (de moedermaatschappij). Eén van de voorwaarden is dat de moedermaatschappij op het tijdstip waarop het dividend ter beschikking is gesteld, al gedurende een ononderbroken periode van één jaar voor ten minste 25% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de dochtermaatschappij is ( artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Dividendbelasting 1965); met dien verstande: a. dat, zo een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten tussen Nederland en de lid-staat waar de moedermaatschappij is gevestigd, ten aanzien van de omvang van het bezit als voorwaarde geldt dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 25% van de stemrechten in de dochtermaatschappij ( artikel 4a, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965); b. dat de vereiste omvang van het bezit van 25% wordt verlaagd tot 10% op basis van wederkerigheid ( artikel 4a, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965). De voorwaarden zijn opgenomen in artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965. 2.2. Artikel 4b Wet op de dividendbelasting 1965 In artikel 4b is geregeld dat als de moedermaatschappij op het tijdstip waarop het dividend ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bezitsperiode van één jaar, inhouding van dividendbelasting eveneens achterwege blijft. Voorwaarde is wel dat de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt. In de paragrafen 2 en 3, hierna, gaat het om de situatie waarin nog niet is voldaan aan de bezitsperiode van één jaar, maar inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven als men ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt. § 2. Zekerheid 1. Algemeen De zekerheid moet worden gesteld bij de ontvanger, gelijktijdig met het doen van de schriftelijke opgaaf bij de inspecteur als bedoeld in het vierde lid van artikel 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965. De ontvanger accepteert de zekerheid slechts als deze definitief geregeld is (de inhoudingsplichtige heeft dus maximaal één maand om de zekerheid rond te krijgen). 2. Vorm van de zekerheid Bij vormen van zekerheid valt te denken aan een bankgarantie, een hypotheekrecht, een verpanding etc. Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar. Dit laatste lijdt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn. De reden dat een bezitloze verpanding van voorraden niet kan worden aanvaard, is gelegen in de aard van het zekerheidsobject. Voor een zekerheidstelling kan ook gebruik gemaakt worden van een buitenlandse bank, mits de zekerheid maar in Nederland te gelde kan worden gemaakt c.q. kan worden uitgewonnen. 3. Opheffing zekerheid De ontvanger heft de zekerheid op als de inhoudingsplichtige aantoont dat de moedermaatschappij één jaar na het tijdstip bedoeld in artikel 4b, vierde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 nog steeds voldoet aan het bezitscriterium. De kosten van de zekerheidstelling worden door de ontvanger niet vergoed. 4. Er vindt geen zekerheidstelling plaats Als de dochtermaatschappij binnen de periode van één maand als bedoeld in artikel 4a, vierde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, geen zekerheid heeft gesteld, dient inhouding en afdracht van dividendbelasting plaats te vinden. Als dit niet gebeurt, legt de inspecteur een naheffingsaanslag en een bestuurlijke boete op. Op basis van deze schuld kan de ontvanger een zekerheidsbeslag leggen. Gedurende de in het derde lid van deze paragraaf bedoelde periode van één jaar vinden onherroepelijke executoriale maatregelen niet plaats, tenzij eerder blijkt dat niet aan de voorwaarde als bedoeld in lid 2.1. van de eerste paragraaf is voldaan. Wel is verrekening met teruggaven mogelijk. Zie § 3, tweede lid, hierna. § 3. Eén-jaars-termijn wordt alsnog bereikt 1. Buiten invordering Als de moedermaatschappij na verloop van tijd aan de voorwaarden van de bezitsperiode voldoet, stelt de ontvanger de in § 2, vierde lid, hiervoor bedoelde naheffingaanslag tot het bedrag van de belasting buiten invordering. Als de naheffingsaanslag inmiddels is betaald, vindt restitutie plaats van het bedrag van de belasting. Hierover wordt invorderingsrente vergoed. Eventuele kosten die zijn gemaakt in het kader van een zekerheidsbeslag in verband met de naheffingsaanslag dividendbelasting, waaronder mede begrepen kosten van betekening van een dwangbevel, komen voor rekening van de belastingschuldige. Door deze werkwijze kan worden voorkomen dat de belastingschuldige die geen zekerheid stelt en het dan op een naheffingsaanslag laat aankomen, in een betere positie komt te verkeren dan de belastingschuldige die wel zekerheid stelt. 2. Verrekening van teruggaven Teruggaven ten name van de dochtermaatschappij kunnen worden verrekend met de in § 2, vierde lid, hiervoor bedoelde naheffingsaanslag. Als het bedrag van de belasting buiten invordering wordt gesteld, omdat aan de voorwaarden van de bezitsperiode wordt voldaan, vindt uitbetaling plaats van de verrekende belasting. Hierover wordt invorderingsrente vergoed.