BWBR0004800
Geldig vanaf 01-01-2003
Artikel 48
Leidraad invordering 1990
Bij toepassing van artikel 48 van de wet gelden niet de formele bepalingen van artikel 49 e.v. van de wet. Artikel 48 regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan dat deze als rechtsopvolger van de erflater, niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden aangesproken. Zie ook artikel 49, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de ontvanger die maatregelen neemt die ter beveiliging van zijn rechten nodig zijn. Zie echter ook artikel 14, § 1, tweede lid, van deze leidraad. Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.
Artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft de strekking de aansprakelijkheid van de erfgenamen voor navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de erflater zijn vastgesteld te beperken. In afwijking van artikel 4:182, tweede lid, BW zijn zij niet naar rato van hun erfdeel aansprakelijk, maar blijft de aansprakelijkheid beperkt tot hetgeen zij zuiver uit de nalatenschap - met inbegrip van legaten - hebben ontvangen.
De beperkte aansprakelijkheid omschreven in het eerste lid van de wet geldt ook in het geval waarin de ontvanger op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet de erflater na diens overlijden aansprakelijk stelt voor belastingschulden van een derde. De beperking ziet op de schulden waarvan het bedrag van de aansprakelijkheid na het overlijden wordt vastgesteld.
De bepaling dat de waarde van het erfdeel of van het legaat wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van het overlijden van de erflater, strekt ertoe dat de aansprakelijkheid van een erfgenaam wordt beperkt tot het bedrag waarmee deze in werkelijkheid is gebaat. Door dit voorschrift worden de fictiebepalingen voor de waardering voor het recht van successie op de voet van artikel 21 van de Successiewet 1956 uitgeschakeld.
In het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid geldt dat de aansprakelijkheid van de erfgenamen is beperkt tot bedragen waarvoor de erflater bij zijn leven aansprakelijk is gesteld.
Betreft het echter belastingschulden waarvoor de erflater voor diens overlijden op grond van artikel 36 of artikel 36a van de wet aansprakelijk is gesteld, maar waarvan het bedrag van de aansprakelijkheid na het overlijden wordt vastgesteld, dan bestaat de aansprakelijkheid van de erfgenamen op grond van artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
In de gevallen waarin aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 of artikel 36a van de wet heeft plaatsgevonden na het overlijden van de belastingschuldige, en de erfgenamen hiervoor dus niet aansprakelijk kunnen worden gesteld, kan de ontvanger zich verhalen op de nalatenschap.
Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege.
Ook buiten het hiervoor genoemde geval kan er aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.
Met betrekking tot het verlenen van een dwangbevel tegen de erfgenamen wordt verwezen naar artikel 12, § 1, derde lid, van deze leidraad.
Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de ontvanger die maatregelen neemt die ter beveiliging van zijn rechten nodig zijn. Zie echter ook artikel 14, § 1, tweede lid, van deze leidraad. Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.
Artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van de wet heeft de strekking de aansprakelijkheid van de erfgenamen voor navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de erflater zijn vastgesteld te beperken. In afwijking van artikel 4:182, tweede lid, BW zijn zij niet naar rato van hun erfdeel aansprakelijk, maar blijft de aansprakelijkheid beperkt tot hetgeen zij zuiver uit de nalatenschap - met inbegrip van legaten - hebben ontvangen.
De beperkte aansprakelijkheid omschreven in het eerste lid van de wet geldt ook in het geval waarin de ontvanger op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet de erflater na diens overlijden aansprakelijk stelt voor belastingschulden van een derde. De beperking ziet op de schulden waarvan het bedrag van de aansprakelijkheid na het overlijden wordt vastgesteld.
De bepaling dat de waarde van het erfdeel of van het legaat wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van het overlijden van de erflater, strekt ertoe dat de aansprakelijkheid van een erfgenaam wordt beperkt tot het bedrag waarmee deze in werkelijkheid is gebaat. Door dit voorschrift worden de fictiebepalingen voor de waardering voor het recht van successie op de voet van artikel 21 van de Successiewet 1956 uitgeschakeld.
In het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid geldt dat de aansprakelijkheid van de erfgenamen is beperkt tot bedragen waarvoor de erflater bij zijn leven aansprakelijk is gesteld.
Betreft het echter belastingschulden waarvoor de erflater voor diens overlijden op grond van artikel 36 of artikel 36a van de wet aansprakelijk is gesteld, maar waarvan het bedrag van de aansprakelijkheid na het overlijden wordt vastgesteld, dan bestaat de aansprakelijkheid van de erfgenamen op grond van artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
In de gevallen waarin aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 of artikel 36a van de wet heeft plaatsgevonden na het overlijden van de belastingschuldige, en de erfgenamen hiervoor dus niet aansprakelijk kunnen worden gesteld, kan de ontvanger zich verhalen op de nalatenschap.
Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege.
Ook buiten het hiervoor genoemde geval kan er aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.
Met betrekking tot het verlenen van een dwangbevel tegen de erfgenamen wordt verwezen naar artikel 12, § 1, derde lid, van deze leidraad.
- Citeren als
- Art. 48
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004800
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl