BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 44b
Leidraad invordering 1990
b ... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Aansprakelijkheid verzekeraars van arbeidspensioenen 1. Algemeen De verzekeraar van arbeidspensioenen is op grond van artikel 44b van de wet aansprakelijk voor de belasting die verschuldigd wordt in verband met het feit dat een aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend. De aansprakelijkheid valt in drie categorieën uiteen: - de eerste categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting die verschuldigd wordt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend door de toepassing van artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In die artikelleden wordt een aantal situaties genoemd die tot gevolg heeft dat de waarde van de pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking; - de tweede categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting die verschuldigd wordt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend op grond van artikel 3.83, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In die artikelleden gaat het om grensoverschrijdende situaties waarbij binnenlandse belastingplichtigen pensioenaanspraken hebben opgebouwd; - de derde categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting die verschuldigd wordt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend op grond van artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat artikellid gaat het om grensoverschrijdende situaties waarbij buitenlandse belastingplichtigen in Nederland pensioenaanspraken hebben opgebouwd. De verzekeraar is aansprakelijk voor de verschuldigde belasting tot ten hoogste de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak. De aansprakelijkheid van artikel 44b van de wet strekt zich tevens uit tot de verschuldigde heffings- en revisierente. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor invorderingsrente wordt verwezen naar artikel 32, § 3, van deze leidraad. 2. Pensioenaanspraken ex artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 die tot het loon worden gerekend In artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met betrekking tot aanspraken die vallen onder de eerste categorie genoemd in het eerste lid van deze paragraaf, een aantal situaties en handelingen opgesomd die er toe leiden dat op het onmiddellijk aan die handelingen voorafgaande tijdstip de pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of de gewezen werknemer of de gerechtigde tot de aanspraak. Deze situaties en handelingen betreffen: a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een VUT-regeling wordt niet langer als zodanig aangemerkt; b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een VUT-regeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid gemaakt. Als het formeel of feitelijk tot zekerheid maken van de aanspraak voortvloeit uit een op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet te stellen zekerheid in verband met een te verlenen uitstel van betaling wordt de aanspraak niet tot het loon gerekend; c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling, waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; d. een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een VUT-regeling gaat geheel of gedeeltelijk over op een andere verzekeraar. In dat geval wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht. De situaties en handelingen genoemd in de onderdelen a tot en met c van dit lid, leiden niet tot belastingheffing als de belastingplichtige in het kader van scheiding van tafel en bed of echtscheiding de aanspraak geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige echtgenoot of gewezen echtgenoot, dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot. 3. Pensioenaanspraken ex artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die tot het loon worden gerekend In artikel 3.83, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is met betrekking tot aanspraken die vallen onder de tweede categorie genoemd in het eerste lid van deze paragraaf bepaald dat tot het loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling indien de belastingplichtige werknemer of gewezen werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Deze regeling ziet derhalve op emigranten. In geval van emigratie worden de pensioenaanspraken in de inkomstenbelasting betrokken voor zover deze zijn opgebouwd in de binnenlandse periode. Het kan daarbij zowel gaan om emigratie waarbij het pensioen in Nederland verzekerd blijft als een emigratie waarbij wordt verzocht om waardeoverdracht van het pensioenvermogen naar een buitenlandse verzekeraar. In het tweede lid van artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde pensioenaanspraken uit een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend als de pensioenaanspraken worden ondergebracht bij een niet toegelaten buitenlandse pensioenuitvoerder. 4. Pensioenaanspraken ex artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 die tot het loon worden gerekend In artikel 7,2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is met betrekking tot aanspraken die vallen onder de derde categorie genoemd in het eerste lid van deze paragraaf, een aantal bepalingen opgenomen die overeenkomen met de in het derde lid van deze paragraaf beschreven situatie, echter nu ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen die in Nederland pensioen opbouwen. 5. Emigratie Ingeval van emigratie worden de tot de emigratiedatum opgebouwde pensioenaanspraken, indien ondergebracht bij een niet toegelaten buitenlandse pensioenuitvoerder, tot het loon gerekend (zie het derde en vierde lid van deze paragraaf), door middel van een conserverende belastingaanslag. Voor de terzake verschuldigde belasting alsmede voor de heffings- en revisierente, is de verzekeraar aansprakelijk tot ten hoogste het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak ten tijde van de emigratie. In de praktijk zal de belastingschuldige om uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de wet hebben gevraagd. De ontvanger gaat tijdens de looptijd van het uitstel niet over tot aansprakelijkstelling van de verzekeraar. 6. Mededeling door de inspecteur Zodra de aansprakelijkheid ingevolge de in het eerste lid van deze paragraaf genoemde artikelen ontstaan, wordt de verzekeraar, ongeacht of de belastingplichtige te zijner tijd tot betaling van de verschuldigde belasting zal overgaan, daarvan zo spoedig mogelijk door de inspecteur, waaronder de belastingplichtige ressorteert, op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens mededeling gedaan van het bedrag waarvoor de verzekeraar eventueel aansprakelijk kan worden gesteld. De inspecteur informeert de ontvanger over de verzending van de mededeling aan de verzekeraar. Indien jaarlijks een aangepaste conserverende belastingaanslag aan de belastingplichtige moet worden opgelegd, stelt de inspecteur de verzekeraar op de hoogte van de wijziging van de aansprakelijkheid. 7. Aansprakelijkheid De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van verplichtingen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan een pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent dat niet wordt aangemerkt als een toegestane pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten. 8. Omvang van de aansprakelijkheid De omvang van de aansprakelijkheid wordt gevormd door de verschuldigde belasting, vermeerderd met de heffings-, revisie- en invorderingsrente (zie het eerste lid van deze paragraaf). De verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredige gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 3.83, eerste en tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon gerekende aanspraken.