BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 44a
Leidraad invordering 1990
a ... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Aansprakelijkheid verzekeraars van lijfrenten en beroepspensioenen 1. Algemeen De verzekeraar is op grond van artikel 44a van de wet aansprakelijk voor de belasting, verschuldigd terzake van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die bij de verzekeringsnemer in aanmerking zijn genomen. De aansprakelijkheid valt in drie categorieën uiteen: - de eerste categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting op grond van artikel 3.133, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat artikellid gaat het om de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als gevolg van een zogenoemde verboden handeling met betrekking tot een aanspraak die veelal een lijfrente is; - de tweede categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting op grond van artikel 3.135, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat artikellid gaat het om de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als gevolg van de zogenoemde verboden handeling met betrekking tot de aldaar bedoelde aanspraak inzake beroepspensioenen waaraan deelneming verplicht is. Die verplichting kan voortvloeien uit de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling; - de derde categorie betreft de aansprakelijkheid met betrekking tot de belasting op grond van artikel 3.136, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waar de emigratie van de verzekeringnemer ter sprake komt. De verzekeraar is aansprakelijk voor de verschuldigde belasting tot ten hoogste de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak. De aansprakelijkheid van artikel 44a van de wet strekt zich tevens uit tot de verschuldigde heffings- en revisierente. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor invorderingsrente wordt verwezen naar artikel 32, § 3, van deze leidraad. 2. Verboden handelingen op grond van artikel 3.133 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In artikel 3.133, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met betrekking tot aanspraken die vallen onder de eerste categorie genoemd in het eerste lid van deze paragraaf (meestal lijfrenten), een aantal verboden handelingen opgesomd die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden. De verboden handelingen betreffen: a. een zodanige wijziging van de aanspraak dat deze niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoet; b. afkoop of vervreemding van de aanspraak; c. het formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid maken van de aanspraak, behalve indien het tot zekerheid maken van de aanspraak voortvloeit uit een op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet te stellen zekerheid in verband met een te verlenen uitstel van betaling; d. het niet langer voldoen aan bepaalde door de Wet inkomstenbelasting 2001 gestelde voorwaarden door de verzekeraar; e. overgang van de al dan niet gehele lijfrenteverplichting op een niet professionele, andere verzekeraar, herverzekering daaronder begrepen. 3. Verboden handelingen op grond van artikel 3.135 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In artikel 3.135, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met betrekking tot aanspraken die vallen onder de tweede categorie genoemd in het eerste lid van deze paragraaf (de beroepspensioenen) eveneens een aantal verboden handelingen opgesomd die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden. De verboden handelingen betreffen: a. een zodanige wijziging van de aanspraak dat deze niet langer kan worden aangemerkt als een aanspraak op grond van de desbetreffende pensioenregeling; b. een zodanige wijziging van de aanspraak dat deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op een belastbare periodieke uitkering of verstrekking; c. afkoop of vervreemding van de aanspraak; d. het formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid maken van de aanspraak, behalve indien het tot zekerheid maken van de aanspraak voortvloeit uit een op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet te stellen zekerheid in verband met een te verlenen uitstel van betaling; e. het geheel of gedeeltelijk overgaan van de verplichting inzake de aanspraak op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de wettelijke regeling is ondergebracht. De handelingen genoemd in de onderdelen a of c van dit lid, worden niet als een verboden handeling aangemerkt als de belastingplichtige in het kader van scheiding van tafel en bed of echtscheiding de aanspraak geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn binnenlands belastingplichtige echtgenoot of gewezen echtgenoot, dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot. 4. Emigratie Ingeval van emigratie worden de in het verleden als uitgaven voor inkomensvoorzieningen afgetrokken lijfrentepremies en premies wegens verplichte deelname in een bedrijfspensioenfonds als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Deze negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden tot een conserverende belastingaanslag. Voor de terzake van die negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen verschuldigde belasting, alsmede voor de heffings- en revisierente, is de verzekeraar aansprakelijk tot ten hoogste het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak ten tijde van de emigratie. In de praktijk zal de belastingschuldige om uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de wet hebben gevraagd. De ontvanger gaat tijdens de looptijd van het uitstel niet over tot aansprakelijkstelling van de verzekeraar 5. Mededeling door inspecteur bij verboden handelingen Als zich verboden handelingen als bedoeld in het tweede of derde lid van deze paragraaf voordoen, wordt de verzekeraar, ongeacht of de belastingplichtige te zijner tijd tot betaling van de terzake van de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen verschuldigde belasting zal overgaan, daarvan zo spoedig mogelijk door de inspecteur, waaronder de belastingplichtige ressorteert, op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens mededeling gedaan van het bedrag waarvoor de verzekeraar eventueel aansprakelijk kan worden gesteld. De inspecteur informeert de ontvanger over de verzending van de mededeling aan de verzekeraar. Indien jaarlijks een aangepaste conserverende belastingaanslag aan de belastingplichtige moet worden opgelegd, stelt de inspecteur de verzekeraar op de hoogte van de wijziging van de aansprakelijkheid. 6. Mededeling door inspecteur bij emigratie Tegelijkertijd met de kennisgeving van de emigratie van de verzekeringnemer aan de verzekeraar, licht de inspecteur de ontvanger over de emigratie in. De emigratie heeft tot gevolg dat een conserverende belastingaanslag als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de wet wordt opgelegd. Aansprakelijkheid in materiële zin doet zich bij emigratie in de regel niet meteen voor, omdat daarvan pas sprake is als binnen tien jaar na uitstelverlening op de voet van artikel 25, vijfde lid, van de wet, sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdelen a tot en met g, i en k, of artikel 3.135, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001. Wanneer de inspecteur op enig tijdstip na emigratie kennis krijgt van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdelen a tot en met g, i en k, of artikel 3.135, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 stelt hij de ontvanger daarvan op de hoogte. Na vernietiging van de uitstelbeschikking en beëindiging van het uitstel gaat de ontvanger over tot invordering van de conserverende belastingaanslag. 7. Aansprakelijkheid De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van lijfrenteverplichtingen als bedoeld in artikel 3.133, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aan een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten. 8. Aansprakelijkstelling blijft achterwege Aansprakelijkstelling blijft achterwege als sprake is van polissen die in de zin van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1(, onderdeel b of onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht te zijn overgedragen aan een andere toegelaten verzekeraar. Een aanspraak die is omgezet in een andere zodanige aanspraak, in de zin van artikel 3.135, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt gezien als een voortzetting van de eerste aanspraak. Voorwaarden voor het achterwege blijven van de aansprakelijkstelling van de overdragende verzekeraar zijn: - de overdragende verzekeraar was op het moment van de overdracht niet op de hoogte of kon niet op de hoogte zijn van het feit dat de polis was beleend of verpand, anders dan ten behoeve van het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, vijfde lid, van de wet; - de overdragende verzekeraar heeft geen verhaalsmogelijkheden meer. Als van de hiervoor genoemde feiten blijkt nadat tot aansprakelijkstelling is overgegaan, wordt de aansprakelijkstelling bij beschikking ingetrokken. Deze beschikking wordt bekendgemaakt. 9. Omvang van de aansprakelijkheid Aansprakelijkstelling blijft achterwege als sprake is van polissen die in de zin van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1(, onderdeel b of onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht te zijn overgedragen aan een andere toegelaten verzekeraar. Een aanspraak die is omgezet in een andere zodanige aanspraak, in de zin van artikel 3.135, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt gezien als een voortzetting van de eerste aanspraak. Voorwaarden voor het achterwege blijven van de aansprakelijkstelling van de overdragende verzekeraar zijn: