BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 40
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Aansprakelijkheid van de vervreemder van aandelen of een belang 1. Algemeen De in artikel 40 van de wet neergelegde aansprakelijkheid geeft de ontvanger de mogelijkheid om bepaalde vervreemders van aandelen in een vennootschap waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen aan te spreken voor door deze vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting. Aansprakelijkheid bestaat indien het vermogen van de vennootschap is verminderd anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap. Artikel 40 van de wet ziet ook op de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Artikel 40 van de wet vindt toepassing met betrekking tot vervreemdingen die hebben plaatsgevonden na 31 december 2000. Voor vervreemdingen van voor 1 januari 2001 blijft artikel 40 van de wet gelden zoals dat luidde op 31 december 2000. 2. Aansprakelijkheid vervreemder van aandelen Op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet is aansprakelijk degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt. De vervreemding is de verkooptransactie en niet de (doorgaans latere) levering van de aandelen. Opgemerkt wordt dat artikel 40 niet alleen ziet op natuurlijke personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR. 3. Welke belasting De aansprakelijkheid bestaat voor - de vennootschapsbelasting die de vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt, en - de vennootschapsbelasting die de vennootschap verschuldigd wordt over de drie jaren na het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves. Voor aansprakelijkstelling dient de vennootschapsbelasting te zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De aansprakelijkheid geldt het gedeelte van de vennootschapsbelasting dat overeenstemt met de omvang van het belang van de aandeelhouder bij de vennootschap: het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt wanneer de vennootschap zou worden ontbonden op het tijdstip van de vervreemding van de aandelen (artikel 40, derde lid, van de wet). 4. Vermindering vermogen buiten kader normale bedrijfsvoering Voorwaarde voor de aansprakelijkheid van artikel 40 van de wet is dat het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren vóór het jaar van de vervreemding, het jaar van de vervreemding of in de drie jaren daarna. Bij vermindering van het vermogen buiten het kader van de normale bedrijfsvoering kan onder meer worden gedacht aan vermindering door het bedingen van buitensporige beloningen of door opname van gelden bij de vennootschap zonder dat terugbetaald wordt of voldoende zekerheid bestaat dat wordt terugbetaald. Het gaat niet om reguliere onttrekkingen in de vorm van normaal te achten winstuitdelingen of betalingen van vennootschapsbelasting. 5. Zekerheid Degene die op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het gedeelte van de vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid bestaat (artikel 40, tweede lid, van de wet). De zekerheid moet reële betekenis en voldoende waarde hebben. Zekerheid kan in allerlei vormen worden gesteld. Bijvoorbeeld: verpanding van aandelen, vestiging van een hypotheek, afgeven van een bankgarantie, stellen van borgtocht. Zekerheid kan ook worden gesteld voor belastingschulden over toekomstige jaren en/of reeds verstreken jaren waarover nog geen aanslag is opgelegd. De ontvanger wint gestelde zekerheid uit voordat hij derden aansprakelijk stelt. Dat is anders indien de waarde van de zekerheid in de loop der tijd is gedaald of is teloor gegaan dan wel een zekerheid praktisch niet meer of slechts tegen onevenredig hoge kosten kan worden uitgewonnen (bijvoorbeeld indien een borg is geëmigreerd). 6. Aansprakelijkheid vervreemder van een belang Op grond van artikel 40, vierde lid, van de wet zijn de bepalingen met betrekking tot de vervreemder van aandelen (artikel 40, eerste tot en met derde lid, van de wet) van overeenkomstige toepassing op de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft (te denken valt aan coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag). Onder belang wordt in dit verband verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam. 7. Vervreemden van een deelneming Op grond van artikel 40, vijfde lid, van de wet zijn de bepalingen met betrekking tot de vervreemder van aandelen respectievelijk een belang van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam wanneer dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervreemdt. Als voorwaarde geldt dat de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van artikel 40, eerste lid, van de wet (aandeelhouder voor ten minste één derde van het kapitaal van de vennootschap) respectievelijk artikel 40, vierde lid, van de wet (gerechtigd tot ten minste één derde van het vermogen of het resultaat van het lichaam). 8. Disculpatiemogelijkheid Artikel 40, zesde lid, van de wet voorziet in een disculpatiemogelijkheid voor de aandeelhouder of de belanghouder die aansprakelijk is gesteld op de voet van artikel 40 van de wet. De aansprakelijk gestelde is niet aansprakelijk voorzover hij bewijst dat hem niet kan worden verweten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting.