BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 33
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Inleidende opmerkingen 1. Algemeen Artikel 33 van de wet bevat een aantal - hoofdelijke - aansprakelijkheidsregels die gelden voor de invordering van alle rijksbelastingen. Deze regels strekken ertoe om als op de in dit artikel genoemde lichamen geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog verschuldigde belasting aan te spreken die in een nauwe betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en die invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden van dat lichaam. § 2. Begrippen vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en feitelijke vestiging 1. Ruime uitleg vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger In het algemeen kan onder het begrip vaste inrichting worden verstaan: een enigszins duurzame inrichting waarin of met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, zoals - een plaats waar leiding wordt gegeven - een filiaal - een kantoor - een fabriek - een werkplaats. Verplaatsbaarheid is geen beletsel om een vaste inrichting aan te nemen. Als vaste vertegenwoordiger kan worden aangemerkt: een persoon die in het bezit is van een duurzame machtiging om namens het lichaam overeenkomsten te sluiten. De begrippen vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger zijn dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen. 2. Feitelijke vestiging Het begrip "gevestigd" in het eerste lid, onderdeel b, van artikel 33 van de wet heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd dient te worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. De ontvanger dient hierbij aansluiting te zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR. § 3. Ontbinding en vereffening 1. Lichaam dat is ontbonden De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet het oog heeft, kan behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen. Voor de berekening van de 3-jaarstermijn wordt de in de vorige volzin bedoelde stilzwijgende ontbinding geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen. Niet als ontbinding kan worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde "leeg"maken van het lichaam. 2. Vereffenaar Niet alleen degene die met de vereffening is belast is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is. De vereffenaar is aansprakelijk voor de rijksbelastingen die het lichaam verschuldigd is geworden gedurende de periode waarin hij als zodanig in functie is geweest. De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet betalen van de belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. Hiervan kan sprake zijn als de vereffenaar de vorderingen van de concurrente crediteuren voldoet terwijl de preferente schulden onbetaald blijven. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in dit lid is dezelfde als die van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in artikel 36 van de wet. § 4. Bestuurder 1. Bestuurder Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het Handelsregister staat ingeschreven, maar tevens wordt als bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen. Als gedragingen die een betrokkene tot bestuurder in de zin van dit artikel bestempelen kunnen worden aangemerkt die gedragsuitingen die normaliter kenmerkend zijn voor de persoon die als bestuurder moet worden aangemerkt. Als bestuurder in de zin van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt tevens aangemerkt de beherend vennoot van een maat- of vennootschap. 2. Gewezen bestuurder De gewezen bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan. 3. Lichaam als bestuurder Wanneer de bestuurder van een lichaam als bedoeld artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet zelf een lichaam is, kunnen ook de bestuurders van laatstbedoeld lichaam aansprakelijk worden gesteld. Dit doet zich bijvoorbeeld voor ingeval een besloten vennootschap als bestuurder van een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid optreedt. In dat geval kunnen ook de bestuurders van de besloten vennootschap op grond van artikel 33, derde lid, van de wet worden aangesproken. Maar ook als deze bestuurders op hun beurt lichamen zouden zijn, kunnen de bestuurders van die lichamen op grond van het derde lid worden aangesproken. Voor de toepassing van dit artikel is het eerste lid van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. § 5. Disculpatiemogelijkheid 1. Niet-verwijtbaarheid Artikel 33, vierde lid, van de wet bevat voor degene die op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, van de wet hoofdelijk aansprakelijk is gesteld een disculpatiemogelijkheid. Voorzover met betrekking tot een belastingschuld van een lichaam door de aansprakelijkgestelde wordt bewezen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet voldoen van die schuld, vervalt voor die persoon de aansprakelijkheid.