BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 3
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Algemeen 1. Civiele invordering Het bepaalde in de volgende artikelen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. 2. Fiscale en civiele mogelijkheden De ontvanger heeft alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Daarnaast beschikt hij op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger gebruik kan maken van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden of van specifieke fiscale bevoegdheden om zijn doel te bereiken. Er bestaat, onverminderd hetgeen daarover in § 1, Inleidende opmerkingen, zevende lid, van deze leidraad is gesteld, in dat geval geen algemene regel die bepaalt welke bevoegdheden voorgaan. In beginsel is de ontvanger dus vrij in zijn keuze van invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Bij deze keuze worden de belangen van de Staat zorgvuldig afgewogen tegen die van de belastingschuldige en/of eventuele derden. Het resultaat van deze belangenafweging moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen doorstaan en bepaalt daarmee in belangrijke mate de grenzen van de keuzevrijheid van de ontvanger. In de gevallen waarin de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van gebruikmaking van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, geschiedt dit alleen als het belang van de invordering bij een dergelijke wijziging opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. In dit verband moet worden bedacht dat enig nadeel bij een zodanige wijziging voor de belastingschuldige en de derde niet altijd te voorkomen zal zijn. 3. Bevoegdheid tot inning rechten bij invoer De bevoegdheid tot inning door de douane is met name vastgelegd in artikel 4, punt 3, CDW en artikel 4 DW. In beginsel is de ontvanger bevoegd voor onder meer de douanerechten, de landbouwheffingen en de anti-dumpingheffingen. Op grond van de bepalingen in de diverse nationale wetten is de ontvanger uiteraard ook bevoegd voor de terzake van invoer verschuldigde omzetbelasting, accijnzen en verbruiksbelastingen, alsmede voor de bestuurlijke boeten, de compenserende rente en de kosten van ambtelijke werkzaamheden. 4. Aanspreken borg Ingeval de belastingschuldige in gebreke is te betalen en er geen uitzicht is op spoedige betaling of verhaal dient direct de borg te worden aangesproken. Wel zal eerst de totale omvang van de verschuldigde belasting vastgesteld moeten worden. De schuld, waarvoor de borg wordt aangesproken, dient onherroepelijk vast te staan. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats. § 2. Conservatoir beslag 1. Versnelde invordering Om de rechten van de Staat veilig te stellen voordat belastingaanslagen invorderbaar zijn, staan de ontvanger veelal twee wegen open: gebruikmaking van de versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet of het leggen van conservatoir beslag. Het geheel der feiten en omstandigheden bepaalt de keuze van de ontvanger. Met name de noodzaak tot slagvaardig optreden zal er veelal toe leiden dat deze keuze ten gunste van de versnelde invordering uitvalt. 2. Gegronde vrees voor verduistering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, legt de ontvanger niet alsnog op dezelfde grond executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3. Materiële schuld In situaties waarin direct invorderingsmaatregelen nodig zijn om de inning van materieel verschuldigde belasting, waarvoor nog geen belastingaanslag is opgelegd, veilig te stellen, wordt zoveel mogelijk eerst de belastingschuld in een bela stingaanslag geformaliseerd, waarna invorderingsmaatregelen worden genomen. Als het echter niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, wordt alleen dan tot conservatoir beslag overgegaan als aan de materiële verschuldigdheid in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Het opleggen van de belastingaanslag kan worden beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. De belastingaanslag wordt opgelegd binnen de termijn die de voorzieningenrechter daartoe stelt. Gebeurt dit niet dan vervalt het beslag, maar de mogelijkheid om de belastingaanslag op te leggen blijft bestaan. § 3. Faillissementsaanvraag 1. Faillissementsaanvraag; algemeen Een faillissement heeft voor een belastingschuldige doorgaans ingrijpende maatschappelijke gevolgen. Daarom weegt de ontvanger bij de beslissing of tot de aanvraag van het faillissement moet worden overgegaan alle betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar af. Bij ondernemingen wordt daarbij met name aandacht besteed aan de mogelijke consequenties van het faillissement voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten en de gevolgen van het faillissement voor de werkgelegenheid van de betrokken werknemers. Voorts zal de ontvanger alleen dan tot faillissementsaanvraag overgaan als de belastingschuldige verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (zie artikel 1 Fw). Onverminderd het vorenstaande blijft een faillissementsaanvrage achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. De belastingaanslagen waarvoor het faillissement wordt aangevraagd, moeten onherroepelijk vaststaan ofwel in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Dit laatste zal moeten blijken uit een schriftelijke verklaring van de inspecteur. Geen faillissement wordt aangevraagd voor een voorlopige aanslag ten aanzien waarvan nog geen definitieve aanslagregeling heeft plaatsgevonden. Zijn er echter naast de voorlopige aanslag nog andere onbetaald gebleven aanslagen dan kan de voorlopige aanslag, samen met de andere onbetaald gebleven belastingaanslagen, wel worden opgenomen in een faillissementsaanvraag. In dat geval is er geen reden een voorlopige aanslag buiten de faillissementsaanvraag te houden. Geen faillissement wordt aangevraagd gedurende de loop van een aan de belastingschuldige voor de desbetreffende aanslagen verleend uitstel van betaling. In dat geval wordt, voordat wordt overgegaan tot de aanvraag van het faillissement, het uitstel beëindigd. 1A. Ontbinding van rechtspersoon in plaats van faillissementsaanvraag Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, wordt, als aan ten minste twee van de in artikel 19a, eerste lid, BW vermelde omstandigheden is voldaan, in beginsel de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die ertoe moeten leiden dat die rechtspersoon wordt ontbonden, boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon. Voor de te treffen maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van de rechtspersoon is geen toestemming van het ministerie vereist. 2. Aanspreken borg Ingeval van faillissement van de belastingschuldige dient direct de borg te worden aangesproken, ongeacht of er baten uit het faillissement zijn te verwachten. Wel zal eerst de totale omvang van de verschuldigde belastingen vastgesteld moeten worden. De schuld, waarvoor de borg wordt aangesproken, dient onherroepelijk vast te staan. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats. 3. Particulieren Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van het faillissement achterwege als op voorhand kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de ontvanger kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven c.q. zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren. 4. [Red: Vervallen.] 5. Saneringsaanbod Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, één en ander in de zin van artikel 26, § 2a, van de leidraad" zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek c.q. het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek c.q. het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek c.q. het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. 6. Verzoek om uitstel van betaling Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om uitstel van betaling doet, zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde uitstelbeleid zoals verwoord bij artikel 25 van deze leidraad en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. 7. Toestemming Voor iedere faillissementsaanvraag door de ontvanger is de schriftelijke toestemming van het ministerie vereist. Toestemming wordt in ieder geval niet verstrekt als de door de ontvanger voorgenomen faillissementsaanvraag niet past binnen het in deze paragraaf verwoorde beleid. 7A. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure Indien de belastingschuldige woont of is gevestigd in een lidstaat van de EU (niet Denemarken) en aldaar in staat van insolventie verkeert, terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening (zie hoofdstuk XIA) een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend. Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire procedure in Nederland. Een dergelijke secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure (niet dus de surseance van betaling) en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond. De ontvanger vraagt een secundaire procedure aan met inachtneming van het in deze paragraaf verwoorde beleid. 8. [Red: Vervallen.] 9. Steunvordering Uitvoeringsinstituut Wanneer de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het Uitvoeringsinstituut als zogenaamde steunvordering doet hij dit alleen als het Uitvoeringsinstituut schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.Een steunvordering van het Uitvoeringsinstituut kan alleen worden gevraagd voorzover de vordering betrekking heeft op premies werknemersverzekeringen over tijdvakken gelegen voor 1 januari 2006. 10. Verlenen van steunvordering Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de ontvanger om gegevens over de belastingschuld van de belastingschuldige verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de ontvanger deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger. Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het ministerie vereist als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze leidraad). De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt. Wanneer de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, geldt wel hetgeen is vermeld in het eerste, derde, zevende en achtste lid van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het ministerie vereist. 11. Verzet Als de ontvanger gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw heeft hij hiervoor toestemming van het ministerie nodig. § 4. Rechtsbijstand in civiele procedures Rijksadvocaat 1. Aan de advocaat aan wie de rechtsbijstand van de Belastingdienst in invorderingszaken is opgedragen, wordt de persoonlijke titel van rijksadvocaat verleend. In overleg met de rijksadvocaat kan aan één of meer van zijn kantoorgenoten de persoonlijke titel van plaatsvervangend rijksadvocaat worden verleend. Procesvertegenwoordiging 2. In voor de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is en welke voortvloeien uit dan wel direct of indirect samenhangen met de invordering van door de Belastingdienst geheven belastingen, premies, toeslagen en andere heffingen (hierna: de invordering), treedt de rijksadvocaat op als advocaat ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat, tenzij het ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst (hierna: het ministerie), anders bepaalt. In zaken waarin zowel de ontvanger als de Staat zijn gedagvaard, treedt in beginsel de rijksadvocaat op, tenzij het geschil niet in overwegende mate betrekking heeft op de invordering, in welk geval de landsadvocaat optreedt. In afwijking in zoverre van het voorgaande treedt de landsadvocaat op in alle cassatieprocedures bij de Hoge Raad der Nederlanden, met inbegrip van procedures welke direct of indirect samenhangen met de invordering. Rechtsbijstand in overige zaken 3. In overleg met het ministerie kan voor zaken die dienen voor andere dan de onder het tweede lid bedoelde instanties alsook voor bij de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging niet verplicht is, de rijksadvocaat worden opgedragen ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat op te treden. Rechtsbijstand bij tegenstrijdige belangen 4. Ingeval de te verlenen rechtskundige bijstand betrekking of mede betrekking mocht hebben op een cliënt van de rijksadvocaat of van één van diens kantoorgenoten, wordt de rechtsbijstand verleend door de landsadvocaat. In persoon procederen voor de burgerlijke rechter 5. De ontvanger voorziet zich in alle voor de burgerlijke rechter dienende zaken van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: – procedures voor de kantonrechter; – procedures voor de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover de ontvanger daarin de gedaagde partij is. Toestemming 6. Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het ministerie. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voor zover in het kader van hoger beroep te voeren: – verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; – procedures voor de kantonrechter; – procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het ministerie te worden gedaan; – procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid dan wel artikel 708, tweede lid, Rv. Opgemerkt wordt dat voor andere verzoekschriftprocedures dan de hiervoor genoemde ex artikel 700, derde lid, Rv en 708, tweede lid, Rv ook geen toestemming van het ministerie nodig is. Te denken valt in dit verband aan de procedure ter verkrijging van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Voorts kan gedacht worden aan de verzoekschriftprocedure die is voorgeschreven om tot verkoop van aandelen over te gaan en aan de verzoekschriftprocedure tot opening van een rangregeling. Eenheid van beleid en uitvoering 7. Alvorens een standpunt in te nemen naar aanleiding van een rechtsvraag, legt de ontvanger de vraag voor aan de kennisgroep op het gebied van de rechtstoepassing (zie het Besluit van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662 M). In overleg met het ministerie kan de kennisgroep of de ontvanger de rijksadvocaat ter zake om advies vragen. In het geval invorderingsmaatregelen worden overwogen tegen personen of bedrijven terwijl verwacht mag worden dat die maatregelen publicitair of anderszins de aandacht zullen trekken, wordt het ministerie zo spoedig mogelijk geïnformeerd.