BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 25
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 1. Inleiding Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden uitstel van betaling verlenen aan de belastingschuldige voor (een gedeelte van) de hem opgelegde belastingaanslag. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uitstel ook kan worden verleend nadat executoriaal beslag is gelegd. Het uitstelbeleid is dan onverkort van toepassing. Zodra de ontvanger blijkt van het bestaan van een tot H.M. de Koningin, de Commissie(s) voor de Verzoekschriften uit de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of een tot het Ministerie van Financiën gericht verzoekschrift neemt hij een overeenkomstige houding aan als tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel. De ontvanger kan als blijk van het bestaan van zulk een verzoekschrift eisen dat hem een kopie daarvan wordt overgelegd. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na voorafgaande toestemming van het ministerie. 2. Redenen voor een verzoek om uitstel Een verzoek om uitstel van betaling zal in de regel op grond van één van de vijf hierna volgende redenen worden ingediend: a. de hoogte van de belastingaanslag wordt betwist (paragrafen 1 en 2); b. binnen afzienbare tijd wordt een uit te betalen bedrag verwacht waarbij dit bedrag kan dienen voor de voldoening van de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd (paragrafen 1 en 3); c. de belastingaanslag kan niet binnen de betalingstermijn(en) worden voldaan in verband met betalingsproblemen (paragrafen 1 en 7 tot en met 14); d. het betreft de aan een belastingplichtige opgelegde conserverende belastingaanslag of door de belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 25, negende, veertiende, zestiende of achttiende lid, van de wet (paragrafen 4 tot en met 6); e. het betreft de aan een belastingplichtige opgelegde conserverende belastingaanslag betreffende de rechten van successie of schenking of de door belastingplichtige verschuldigde rechten van successie of schenking als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet (paragraaf 6a). 3. Uitstel van betaling op verzoek of ambtshalve Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Onder voorwaarden kan de ontvanger aan een particulier ook op telefonisch verzoek kort uitstel verlenen (zie §13, tweede lid, hierna). Als de ontvanger van oordeel is dat in een daartoe aanleiding gevend geval uitstel van betaling gewenst is, deelt hij de belastingschuldige mee dat hem desgevraagd uitstel kan worden verleend. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen. Uiteraard kan de ontvanger ook in daartoe aanleiding gevende gevallen om hem moverende redenen ambtshalve besluiten om de invordering op te schorten. In dat geval wordt geen beschikking gegeven. Het uitstelbeleid is niet van toepassing bij ambtshalve opschorting. 4. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als ware het verzoek toegewezen. Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen. 5. Toewijzing van het verzoek om uitstel Bij toewijzing van het verzoek worden de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend in de beschikking vermeld. (Zie ook lid 15 van deze paragraaf). 6. Wanneer wordt het verzoek onder meer afgewezen Een verzoek om uitstel van betaling wordt onder meer afgewezen als: a. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende wordt geacht; b. onjuiste gegevens worden verstrekt; c. de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; d. de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie lid 16 van deze paragraaf); e. zonder bezwaar elders krediet kan worden verkregen om de belastingschuld te voldoen dan wel zonder bezwaar vermogensobjecten te gelde kunnen worden gemaakt; f. de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; g. de betalingsregeling slechts mogelijk is als deze zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uitstrekt; h. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden; i. sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald. De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij dienen alle afwijzingsgronden te worden genoemd. Niet kan worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond. 7. Beëindigen uitstel/intrekking beschikking Het uitstel wordt bij beschikking onder meer beëindigd als: a. niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend; b. tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt; c. de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen; d. de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren; e. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende wordt geacht; f. er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10 / 15 van de wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt, behoudens voorzover anders bepaald. Zie voorts artikel 25, paragrafen 4 tot en met 6a, van deze leidraad. 8. Voordat het uitstel wordt beëindigd Als bij een betalingsregeling meer dan één termijn is toegestaan, kan de ontvanger bij niet-nakoming van de regeling betrokkene in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de achterstand te voldoen. 9. Beëindiging van een verleend uitstel en "hoorplicht" De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat hij tot beëindiging van het uitstel overgaat. 10. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel Wanneer het uitstel is verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken dan is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen. Indien het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk was ingediend, wordt de belastingschuldige van het vervallen ervan schriftelijk, onder opgaaf van reden, op de hoogte gesteld. Dit is geen beschikking in de zin van de Awb, maar slechts een mededeling van informatieve aard. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de inspecteur uitspraak heeft gedaan op een bezwaarschrift of de rechter op een beroepschrift heeft beslist en tot dat tijdstip uitstel van betaling was verleend. 11. Geen invordering tijdens verleend uitstel Artikel 25, eerste lid, tweede volzin, van de wet bepaalt wat het gevolg is van het verlenen van uitstel van betaling: gedurende het uitstel wordt de invordering niet aangevangen dan wel geschorst. Tenzij in de leidraad anders aangegeven kunnen in de periode dat met betrekking tot een belastingaanslag uitstel loopt, ten aanzien daarvan dus geen invorderingsmaatregelen worden aangevangen of voortgezet en kan geen verrekening plaatsvinden. Gelegde beslagen blijven liggen. De bepaling verhindert uiteraard niet dat een voor een bepaalde belastingschuld gelegd beslag in het kader van een voor die schuld verleend uitstel van betaling wordt opgeheven. Te denken valt dan met name aan de situatie waarin uitstel van betaling voor een belastingschuld waarvoor beslag is gelegd, gepaard gaat met zekerheidstelling voor die schuld. In die situatie kan de ontvanger het beslag opheffen. De kosten die in het kader van het beslag zijn gemaakt blijven voor rekening van de belastingschuldige. 12. Tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, dan wel de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan. Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege, als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen dus niet. Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Voorts geldt deze termijn niet als het uitstel is verleend in het kader van een prolongatie (zie artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad). 13. Ambtshalve belastingaanslagen Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen. 13a. Aanslag ter behoud van rechten Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden, een en ander als bedoeld in artikel 11, lid 3, artikel 16, lid 3 en artikel 20, lid 3, van de AWR, verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag en duurt voort tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld. 14. Uitstel voor een bestuurlijke boete Uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete wordt verleend in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete. Voorts wordt uitstel van betaling verleend van een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, tenzij uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zicht niet richt tegen de bestuurlijke boete. Aan het uitstel kan de voorwaarde worden verbonden dat maatregelen worden getroffen die ertoe strekken de belangen van de Staat veilig te stellen. Het uitstel wordt verleend tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist. Gedurende de periode waarin voor een bestuurlijke boete uitstel is verleend, wordt een betaling die op de desbetreffende belastingaanslag wordt verricht, afgeboekt met inachtneming van het bepaalde in artikel 7, § 1, zesde lid, van deze leidraad. 15. De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden Artikel 25, eerste lid, van de wet bepaalt dat de ontvanger aan het verlenen van uitstel van betaling voorwaarden kan verbinden. De te stellen voorwaarden zullen uiteraard steeds het belang van de invordering moeten dienen. Zo kan de voorwaarde worden gesteld dat de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt verleend op vaste tijdstippen in termijnen wordt voldaan. Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de voorwaarde dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand zal ontstaan. Ook kan de ontvanger de voorwaarde stellen dat hij door tussentijdse verstrekking van gegevens op de hoogte wordt gehouden van de stand van zaken in een bedrijf. 16. Zekerheid De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. In welke gevallen de ontvanger deze voorwaarde stelt, is geregeld in de paragrafen hierna. Bij het stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en zo nodig uitgewonnen. Met name valt te denken aan een bankgarantie, (stille of openbare) verpanding van een volwaardige vordering, hypotheek en verpanding van geldswaardige papieren of borgstelling door de directeur groot aandeelhouder van een BV. Opgemerkt wordt dat de ontvanger terughoudend dient te zijn met het aanvaarden van aangeboden zekerheid op goederen die sterk aan waardeverandering onderhevig zijn, zoals bijvoorbeeld aandelen. Is echter sprake van een zodanige zekerheidsstelling, dan dient de ontvanger extra alert te zijn bij het bewaken daarvan. Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar. Dit laatste lijdt slechts uitzondering indien aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn. De reden dat een bezitloze verpanding van voorraden niet kan worden aanvaard, is gelegen in de aard van het zekerheidsobject. In het uitzonderlijke geval dat sprake is van een bezitloze verpanding van voorraden, dient ook hier de ontvanger extra alert te zijn bij het bewaken daarvan. 17. Uitstel van betaling volgens het CDW Uitstel van betaling in de zin van het CDW wordt door de ontvanger in één van de onderstaande vormen verleend: 1. voor elk afzonderlijk verschuldigd geworden bedrag dat voortvloeit uit een individueel gedane aangifte (de zogenaamde klassieke aangifte ten invoer) dat op de voorgeschreven wijze (door middel van een uitnodiging tot betaling) aan de schuldenaar is meegedeeld en geboekt; 2. voor het totaal van de verschuldigd geworden bedragen van de gedurende de afgelopen maand gedane en geboekte aangiften (het zogenaamde maandkrediet); 3. voor het totaal verschuldigde bedrag dat op grond van de aanvullende periodieke aangifte na afloop van de aangifteperiode in één keer is geboekt. Het uitstel van betaling dat op grond van de wet wordt verleend, met name in geval van bezwaar, beroep en hoger beroep, wordt in het CDW omschreven als "het verlenen van andere betalingsfaciliteiten". Aan het verlenen van uitstel is in het CDW steeds de eis verbonden dat zekerheid moet worden gesteld. Nu de bepalingen van het CDW in beginsel ook van toepassing zijn voor de nationale heffingen die terzake van invoer verschuldigd zijn, zal bij uitstel dus ook zekerheid gevraagd moeten worden voor de nationale heffingen. De eis van zekerheid kan worden gematigd dan wel achterwege worden gelaten als hierdoor ernstige economische of sociale moeilijkheden zouden kunnen worden veroorzaakt. Of deze situatie zich voordoet dient van geval tot geval te worden beoordeeld. 18. Tijdstip indiening verzoek Een verzoek om uitstel van betaling van een opgelegde belastingaanslag zal door de goedwillende belastingschuldige doorgaans vóór het verstrijken van de betalingstermijn worden ingediend. Als, zonder nadere motivering, het verzoek om uitstel wordt gedaan nadat de belastingaanslag invorderbaar is, zal de ontvanger in het algemeen minder geneigd zijn om uitstel van betaling te verlenen. De ontvanger zal overigens een verzoek om uitstel van betaling ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de invordering altijd in behandeling nemen. Een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen wordt echter in het algemeen afgewezen als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, dan wel publicatie daarvan niet meer door de ontvanger te voorkomen is. Geen enkel verzoek om uitstel wordt meer ingewilligd wanneer de met de executoriale verkoop belaste belastingdeurwaarder feitelijk is aangevangen met de executoriale verkoop. 19. Mondeling meedelen beschikking Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de beschikking op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel door de ontvanger mondeling worden bekendgemaakt. Deze beschikking zal zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen waarbinnen de invordering niet mag worden aangevangen of voortgezet. 20. Toetsing door de directeur Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een verleend uitstel beëindigt kan de belastingschuldige daartegen schriftelijk opkomen bij de directeur. Het gemotiveerde beroepschrift dient te worden gericht tot de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen. Als ambtelijke beroepsinstantie toetst de directeur de beschikking van de ontvanger aan het beleid, waarbij de directeur zal bezien in hoeverre de ontvanger in de concrete situatie in redelijkheid tot zijn beschikking heeft kunnen komen. Zodra de ontvanger blijkt van een zodanig beroepschrift aan de directeur neemt hij een overeenkomstige houding aan als tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel. 21. Beroepsfase Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. 22. Niet tijdig nemen van een beslissing Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om uitstel kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat uitstel had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. 23. `Beroep' of herhaald verzoek bij de ontvanger Zoals hiervoor is aangegeven, kan de belastingschuldige tegen bepaalde uitstelbeschikkingen beroep instellen bij de directeur. Mocht de belastingschuldige echter bij de ontvanger zelf (schriftelijk) bezwaar maken, of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indienen, dan behandelt de ontvanger het geschrift als een beroepschrift. Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet tot een (voor de belastingschuldige) gunstigere beslissing, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Wanneer de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij de directeur. 24. Bezwaarschrift tegen een beslissing op een verzoek om uitstel In de gevallen dat het mogelijk is tegen een beslissing op een verzoek om uitstel een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23 AWR in te dienen bedraagt de termijn zes weken. Deze gevallen betreffen bijvoorbeeld conserverende belastingaanslagen en belastingaanslagen in het recht van successie of van schenking als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet. Met betrekking tot deze bezwaarschriftprocedure gelden dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op bezwaar als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 1, AWR, hetgeen ook inhoudt dat in dezen hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing is. § 2. Uitstel in verband met bezwaren tegen de belastingaanslag 1. Inleiding Bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen door middel van een bezwaar- of beroepschrift kenbaar worden gemaakt. Onder bezwaarschrift wordt hierna ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan door de ontvanger worden verleend tot het moment waarop uitspraak op het bezwaarschrift is gedaan. Het in deze paragraaf neergelegde uitstelbeleid ziet uitsluitend op het door de belastingschuldige bestreden deel van de belastingaanslag, waarvoor uitstel is verzocht of verleend. Daarnaast is het gestelde in § 1, hiervoor, onverkort van toepassing. De ontvanger kan desgevraagd ook uitstel van betaling verlenen wanneer bij de gemeente bezwaar is gemaakt tegen de WOZ-beschikking in het geval een belastingaanslag is geregeld met inachtneming van de bestreden WOZ-taxatiewaarde. Om te kunnen beoordelen in hoeverre de WOZ-taxatie wordt bestreden zal een kopie van het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking dienen te worden overgelegd. Een bezwaarschrift tegen de desbetreffende belastingaanslag behoeft niet te worden ingediend, aangezien een uitspraak op een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking, waarbij de taxatiewaarde wordt herzien, automatisch leidt tot herziening van de belastingaanslag. Naast bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen ook bezwaren worden ingebracht tegen een op grond van enige bepaling van de (belasting)wet door de inspecteur of de ontvanger genomen beschikking of kennisgeving. Te denken valt bijvoorbeeld aan een beschikking heffings- of invorderingsrente en aan een beschikking aansprakelijkstelling. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 1a. Het verzoek om uitstel In § 1, hiervoor, is aangegeven dat uitstel van betaling in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, wordt het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling aangemerkt. Dit geldt echter uitsluitend, indien in het bezwaarschrift het be-streden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Een expliciet verzoek om uitstel is in dat geval niet nodig. Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger. Als bij de ontvanger een verzoek om uitstel wordt ingediend in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift. 2. De beslissing op het verzoek om uitstel In het algemeen wordt, ongeacht de hoogte van het bestreden bedrag en onder door de ontvanger te stellen voorwaarden, gunstig beslist op een verzoek om uitstel van betaling in verband met een tijdig ingediend bezwaarschrift. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag. In het verzoek dienen daarom het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag te worden vermeld. Van de belastingschuldige kunnen nadere gegevens worden verlangd ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. Zo nodig kan de ontvanger in overleg treden met de inspecteur om de juistheid van de door de belastingschuldige verstrekte gegevens te verifiëren. Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel zijn vermeld, wordt de belastingschuldige in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mede te delen. Daartoe geeft de ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste één maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk, als de ontvanger - na overleg met de inspecteur - van oordeel is dat dit redelijk is. Dit laatste zal bijvoorbeeld het geval zijn, als de belastingaanslag is opgelegd tot behoud van rechten. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wordt het verzoek om uitstel afgewezen. Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het bestreden bedrag dient tijdig te worden voldaan. 2a. Onderlinge overlegprocedure Als een belastingschuldige van mening is dat het opleggen van een aanslag door de inspecteur niet in overeenstemming is met een door Nederland gesloten belastingverdrag, kan hij verzoeken om een overlegprocedure. Als beide verdragspartners de overlegprocedure accepteren, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor de aanslag(en) in kwestie als: – de inspecteur een verrekenprijscorrectie heeft aangebracht; – de inspecteur in tegenstelling tot de belastingschuldige van mening is wel degelijk een heffingsrecht te hebben. Het uitstel duurt in beginsel tot het tijdstip waarop de nationale en internationale procedures ter oplossing van het geschil zijn afgerond. Lid 3 van deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing. In de situatie waarin een overlegprocedure start omdat de verdragspartner een verrekenprijscorrectie aanbrengt of meent een heffingsrecht te hebben, zal de verdragspartner uitstel van betaling dienen te verlenen. Gebeurt dat niet, dan verleent de ontvanger slechts uitstel van betaling als er sprake is van ernstige liquiditeitsproblemen. 3. Zekerheid Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de betwiste belastingschuld. In beginsel wordt alleen zekerheid gevraagd als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de bij de ontvanger bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag wordt mede bij de beslissing van de ontvanger betrokken. Voor het geval voor de betwiste belastingschuld geen uitstel van betaling wordt verleend omdat de verlangde zekerheid niet wordt verstrekt, zij verwezen naar het bepaalde in § 2, lid 3a. 3a. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor betwiste belastingschuld Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, worden voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen getroffen. Wanneer echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat of de belangen van belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen zouden worden geschaad, kunnen bedoelde maatregelen wel worden getroffen. Het enkel leggen van beslagen die feitelijk dienst doen als bewaringsmaatregel, geldt in dit verband niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel. 4. De beslissing op een verzoek om uitstel in verband met een niet-tijdig ingediend bezwaarschrift Als het bezwaarschrift te laat is ingediend, verleent de ontvanger eveneens in het algemeen desgevraagd uitstel van betaling tot op het bezwaarschrift ambtshalve door de inspecteur uitspraak is gedaan, tenzij het bezwaarschrift volstrekt ongegrond is of slechts tot doel heeft het invorderingsproces te traineren dan wel betalingsfaciliteiten te verkrijgen. Voordat een beslissing wordt genomen, pleegt de ontvanger in de daartoe aanleiding gevende gevallen overleg met de inspecteur. 5. Verrekening met een teruggaaf en/of een uit te betalen bedrag uit anderen hoofde Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen, in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift, achterwege. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de - bestreden - belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts niet voldoende zekerheid is gesteld. Als wordt overgegaan tot verrekening met een teruggaaf en/of een uit te betalen bedrag uit anderen hoofde dient de ontvanger de belastingschuldige bij de bekendmaking van de beschikking over zijn beweegredenen in te lichten. 6. Bedrag waarvoor geen uitstel is verleend Is sprake van een bestreden en niet bestreden bedrag van een belastingaanslag, dan wordt uitstel verleend onder de opschortende voorwaarde dat het niet bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt betaald. Wordt niet per omgaande dan wel niet tijdig betaald, dan wordt de invordering, zonder nadere aankondiging, voor de gehele belastingaanslag aangevangen, dan wel voortgezet. Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar wordt niet eerder in behandeling genomen dan nadat het niet bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan. 7. Uitstel voor het bedrag van de gehele belastingaanslag in verband met bezwaar blijkt niet juist Als uitstel van betaling is verleend in verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van dat bedrag, trekt de ontvanger het uitstel in, onder mededeling dat een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar niet eerder in behandeling wordt genomen dan nadat het niet bestreden gedeelte van de belastingaanslag, dat invorderbaar is, is voldaan. § 3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 1. Inleiding uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment waarop dit uit te betalen bedrag verrekend kan worden met de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd. In dit verband wordt opgemerkt dat van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf in ieder geval sprake is als het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht is afgelopen en de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend en over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen verschil van mening bestaat. Het in deze paragraaf neergelegde uitstelbeleid ziet uitsluitend op het te verrekenen bedrag van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend. Daarnaast is het gestelde in § 1, hiervoor, onverkort van toepassing. 2. Het verzoek om uitstel in verband met uit te betalen bedragen Bij het verzoek om uitstel van betaling in verband met een te verrekenen belastingteruggaaf dient voldoende inzicht te worden geboden in de hoogte van de te verwachten teruggaaf. Bij het verzoek om uitstel dient een berekening van de teruggaaf te zijn gevoegd. Zo nodig treedt de ontvanger in overleg met de inspecteur om de juistheid van de door de belastingschuldige verstrekte gegevens te verifiëren. Bij uit te betalen bedragen, andere dan belastingteruggaven, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing. 3. Niet volledig of ongemotiveerd verzoek Als sprake is van een niet volledig gemotiveerd of een ongemotiveerd verzoek om uitbetaling kan gedurende een korte periode uitstel worden verleend om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn verzoek om uitbetaling (nader) te motiveren. De door de ontvanger te bepalen uitsteltermijn waarbinnen het verzoek (nader) moet worden gemotiveerd dient in de regel te worden gesteld op ten hoogste één maand na de dagtekening van de beschikking waarin deze voorwaarde is opgenomen, tenzij de ontvanger - eventueel na overleg met de inspecteur - van oordeel is dat een langere termijn redelijk is. Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is gemotiveerd, is het uitstel vervallen en wordt na schriftelijke mededeling hiervan aan de belastingschuldige de invordering zo nodig aangevangen of voortgezet. 4. De beslissing op het verzoek Ongeacht de hoogte van het binnen afzienbare tijd te verwachten uit te betalen bedrag beslist de ontvanger in het algemeen onder door hem te stellen voorwaarden gunstig op het volledig gemotiveerde verzoek om uitstel van betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te verrekenen bedrag. Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen bedrag dient tijdig of, zo daar aanleiding voor mocht bestaan, via een betalingsregeling te worden voldaan. 5. Uit te betalen bedragen waarop het uitstel niet ziet worden in de regel niet uitgekeerd Uit te betalen bedragen waarop het uitstel niet ziet worden in het algemeen niet uitgekeerd, maar in mindering gebracht op de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag. Wanneer als gevolg van een eventuele verrekening van met name teruggaven omzetbelasting volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt en niet behoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, kan hij in bijzondere gevallen deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen. 6. Het verzoek wordt afgewezen Het verzoek om uitstel van betaling van een te betalen belastingaanslag in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag wordt afgewezen als geen sprake is van een binnen afzienbare tijd te verwachten uit te betalen bedrag, dan wel andere belastingaanslagen aanwezig zijn waarmee de ontvanger verrekening beoogt en wettelijke bepalingen verrekening niet verhinderen. Ook zal de ontvanger geen uitstel verlenen of zelfs een al verleend uitstel intrekken als van de kant van de belastingschuldige onvoldoende medewerking wordt verleend voor het spoedig realiseren van het uit te betalen bedrag. § 4. Uitstelfaciliteiten inkomstenbelasting: algemeen 1. Inleiding In artikel 25 van de wet zijn in het vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende en zeventiende lid uitstelfaciliteiten opgenomen voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting. In artikel 6 van het besluit en in de hoofdstukken I en IA van de regeling zijn terzake nadere regels gesteld. De op de uitstelregeling van artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste en zeventiende lid, van de wet betrekking hebbende inkomstenbelasting wordt geheven bij een afzonderlijke conserverende belastingaanslag. Het is mogelijk dat een conserverende belastingaanslag betrekking heeft op verschillende te conserveren inkomensbestanddelen, bijvoorbeeld aanspraken op een pensioen, een lijfrente en een voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning. Bij de uitstelregeling ingevolge artikel 25, negende, veertiende, zestiende en achttiende lid, van de wet is geen sprake van een afzonderlijke belastingaanslag, maar vormt de belasting waarvoor men uitstel van betaling kan krijgen onderdeel van de gewone belastingaanslag. De verschillende uitstelfaciliteiten kennen een aantal gemeenschappelijke kenmerken die in deze paragraaf aan de orde komen. 2. Totstandkoming uitstel De ontvanger verleent met ingang van 11 maart 2004 automatisch uitstel van betaling voor een conserverende aanslag die is opgelegd in verband met verschuldigde inkomstenbelasting als bedoeld in: - artikel 25, vijfde lid, van de wet: in het geval van emigratie van de belastingschuldige vanuit Nederland naar een ander land, waarbij de aanspraken uit een overeenkomst van levensverzekering of een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in Nederland verzekerd blijven en zijn ondergebracht bij een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf, bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, uit te oefenen en die de lijfrente- en pensioenverplichting rekent tot het binnenlands ondernemingsvermogen, dan wel zijn ondergebracht bij een in Nederland gevestigd lichaam dat ingevolge artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting; - artikel 25, vijfde lid, van de wet: in het geval van overdracht van aanspraken van de belastingschuldige uit een overeenkomst van levensverzekering of een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 naar een verzekeraar die is gevestigd in een andere EU-lidstaat en die in die lidstaat bevoegd is tot het uitoefenen van het directe verzekeringsbedrijf; - artikel 25, zesde lid, van de wet: in het geval van emigratie van de belastingschuldige vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat; - artikel 25, achtste lid, van de wet: in het geval van emigratie van de belastingschuldige vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat; - artikel 25, achtste lid, van de wet: ingeval de inkomstenbelasting is verschuldigd door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de verkrijger van de aandelen of winstbewijzen een natuurlijk persoon is en woont in een andere EU-lidstaat; - artikel 25, achtste lid, van de wet: ingeval de belastingschuldige woont in een andere EU-lidstaat en de inkomstenbelasting is verschuldigd door de toepassing van artikel 7.5, vierde, vijfde onderscheidenlijk zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarbij de verwervende of verkrijgende vennootschap in een andere EU-lidstaat is gevestigd, onderscheidenlijk de verplaatsing van de werkelijke leiding geschiedt naar een andere EU-lidstaat. In alle overige gevallen verleent de ontvanger slechts uitstel van betaling als de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend. Als een zodanig verzoek wordt aangemerkt het indienen van een M-biljet. Een automatisch verleend uitstel van betaling zal worden verleend op voorwaarde dat: a. de belastingschuldige nalaat de zogenoemde verboden handelingen te verrichten; en b. de belastingschuldige desgevraagd aan de ontvanger informatie verstrekt om te kunnen beoordelen of het automatisch verleende uitstel van betaling onverkort kan worden gecontinueerd. Het laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de belastingschuldige die was geëmigreerd naar een andere EU-lidstaat uit die lidstaat weer emigreert naar een land dat geen deel uitmaakt van de EU. Als de belastingschuldige de door de ontvanger gevraagde informatie niet verstrekt, kan de ontvanger besluiten het verleende uitstel in te trekken. 3. Beslissing bij voor bezwaar vatbare beschikking Besluiten tot afwijzing, verlening, herziening of gehele of gedeeltelijke beëindiging van het uitstel geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot bezwaar tegen de beschikking, met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar, met betrekking tot hoger beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende beroep alsmede met betrekking tot beroep in cassatie terzake van de desbetreffende rechterlijke uitspraak, gelden dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie als bedoeld in hoofdstuk V van de AWR. 3a. Waarvoor uitstel in geval van een conserverende belastingaanslag Wanneer een conserverende belastingaanslag is opgelegd die betrekking heeft op meerdere te conserveren inkomensbestanddelen en wanneer voor al deze of enkele bestanddelen uitstel van betaling wordt verzocht, geschiedt uitstelverlening conform de evenredigheidsmethode. Deze methode houdt in dat het uitstel wordt verleend lineair naar evenredigheid van het aandeel van het betreffende te conserveren inkomensbestanddeel in de grondslag van de geconserveerde belasting. Het onderscheid in de verschillende inkomensbestanddelen is gebaseerd op art. 25, vierde, vijfde, zesde en achtste lid, van de wet. Het uitstel wordt per voormeld bestanddeel bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend. Zie voor een nadere uitwerking en enkele voorbeelden bijlage X bij deze leidraad. 4. Wanneer zekerheid Voor het automatisch verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in het tweede lid wordt geen zekerheid geëist. Voorts wordt geen zekerheid verlangd als er sprake is van emigratie én waardeoverdracht van kapitaal aan een buitenlandse, niet in een EU-lidstaat gevestigde, aangewezen verzekeraar die of een pensioenfonds dat zich heeft verplicht tot het verschaffen van inlichtingen en tot het stellen van zekerheid, dan wel zich uitsluitend heeft verplicht tot het verschaffen van informatie en de belastingschuldige zich heeft verplicht in dezen zekerheid te stellen. In overige gevallen wordt, met uitzondering van verleend uitstel van beta-ling inzake staking door overlijden (zie paragraaf 5 e) wel zekerheid geëist waarbij geldt dat de hoogte van de zekerheidstelling steeds gelijk dient te zijn aan de actuele waarde van de fiscale claim. Voor de vormen van zekerheid wordt verwezen naar artikel 25, §1, lid 16, van deze leidraad. 5. Vermindering Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende, zeventiende of achttiende lid, van de wet en dit bedrag ondergaat wijziging door een vermindering, beëindigt de ontvanger bij voor bezwaar vatbare beschikking het uitstel voor het bedrag van die vermindering. Voor het resterende bedrag blijft het uitstel doorlopen. De termijn waarop het uitstel uiterlijk eindigt blijft derhalve onveranderd. 6. Bestuurlijke boete Voor een bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor anderszins een uitstelfaciliteit van toepassing is, wordt nooit uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende, zeventiende of achttiende lid, van de wet. Uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete kan wel worden verleend in verband met redenen als omschreven in de paragrafen 2, 3, 7 e.v. van dit artikel. Zie tevens § 1, lid 14, hiervoor. Behoudens in de gevallen dat uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete is verleend, kan de bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet uitstel is verleend, worden ingevorderd zodra die boete opeisbaar is. De boete hoeft dus niet onherroepelijk vast te staan. Ook verrekening is mogelijk, ondanks het feit dat de bestuurlijke boete niet onherroepelijk vaststaat, zelfs in het geval uitstel van betaling is verleend, tenzij uistel van betaling is verleend in verband met bezwaar, beroep en hoger beroep. 7. Verrekening Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende tot en met negentiende lid, van de wet, wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening van uit te betalen bedragen met de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend overgegaan. Met betrekking tot verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten wordt verwezen naar het zesde lid van deze paragraaf. 8. Versnelde invordering Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een conserverende belastingaanslag, wordt dat uitstel niet beëindigd als zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet. Bij uitstel van betaling ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet is artikel 25, §1, zevende lid, van deze leidraad van toepassing. Dit houdt in dat het op grond van artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet verleende uitstel onder meer wordt beëindigd als er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10/15 van de wet en de ontvanger van oordeel is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, veertiende of zestiende lid, van de wet, reeds zonder meer uit de wettekst volgt dat het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige of in het geval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is. 9. Revisierente De uitstelfaciliteit strekt zich bij toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet, eveneens uit tot de verschuldigde revisierente. 10. Voorlopige conserverende aanslag gevolgd door definitieve conserverende aanslag Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in lid 2 van deze paragraaf, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag. 11. Uitstelregeling ingevolge artikel XIVa van de Wet ondernemerspakket 2001 Op de uitstelregeling ingevolge artikel XIVa van de Wet ondernemerspakket 2001 is het in deze leidraad opgenomen beleid zoals dat geldt voor de uitstelregeling ingevolge artikel 25, vijftiende lid, van de wet van overeenkomstige toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze leidraad wordt afgeweken. § 5. Uitstel van betaling van inkomstenbelasting inzake staking door overheidsingrijpen 1. Waarvoor uitstel Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, vierde lid, van de wet heeft betrekking op de conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd bij staking van een onderneming die een direct gevolg is van bepaalde vormen van overheidsingrijpen op vrijvallende stille reserves die zijn begrepen in de bedrijfsmiddelen en op de vrijvallende herinvesteringsreserves. Bij het verzoek om uitstel van betaling dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat het deel van de stakingswinst waarop het uitstel betrekking heeft zal worden geherinvesteerd in een nieuw op te starten onderneming of in een reeds bestaande onderneming. 2. Duur van het uitstel Het uitstel loopt 12 maanden, te rekenen vanaf de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn of zoveel langer, ingeval de inspecteur in het kader van de heffing de termijn van 12 maanden heeft verlengd. De termijn van 12 maanden kan namelijk worden verlengd in het geval bijvoorbeeld in verband met de aard van de aan te schaffen bedrijfsmiddelen voor de herinvestering een langer tijdvak nodig is. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking in het kader van de heffing of de termijn van 12 maanden wordt verlengd. 3. Opeisbaarheid conserverende belastingaanslag/beëindiging uitstel Het uitstel eindigt van rechtswege na verloop van de 12 maanden termijn, of ingeval van verlenging, nadat de verlengde termijn is verstreken. Na die termijn wordt de aanslag dus invorderbaar. Het uitstel wordt ingetrokken bij voor bezwaar vatbare beschikking indien de herinvesteringen niet leiden tot in Nederland belastbare winst of bij emigratie van de belastingschuldige. De belastingaanslag wordt alsdan invorderbaar. 4. Rente Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, vierde lid, van de wet is verleend, is invorderingsrente verschuldigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad. § 5a. Uitstel van betaling van inkomstenbelasting inzake pensioen- en lijfrente-aanspraken 1. Algemeen In artikel 25, vijfde lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen in verband met conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting die in bepaalde grensoverschrijdende situaties worden opgelegd aan belastingplichtigen die ten laste van Nederlands inkomen pensioen- en/of lijfrentekapitaal hebben opgebouwd. Deze belastingaanslagen worden opgelegd indien het pensioen- of lijfrentekapitaal wordt ondergebracht bij een niet aangewezen buitenlandse verzekeraar in het kader van het aanvaarden van een dienstbetrekking in het buitenland of bij een voortzetting van de premiebetaling aan een buitenlandse niet aangewezen verzekeraar door immigranten. Daarnaast worden belastingaanslagen opgelegd bij emigratie. 2. Duur van het uitstel/kwijtschelding Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid van deze paragraaf. 3. Vormen van zekerheid Naast de normale vormen van zekerheid, zie in dit verband artikel 25, § 1, lid 16, van deze leidraad, kan zekerheidsstelling ook plaatsvinden door verpanding van het pensioenkapitaal aan de Belastingdienst, mits de buitenlandse verzekeraar instemt met die verpanding. In dit verband wordt gewezen op artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet dat een zodanige verpanding voor pensioenen mogelijk maakt. Verpanding van het pensioenkapitaal in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de wet is geen handeling die tot invordering van de conserverende belastingaanslag leidt. 4. [Red: Vervallen.] 5. Opeisbaarheid conserverende belastingaanslag/beëindiging uitstel Het uitstel wordt beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking: a. indien een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken, de aanspraak wordt afgekocht, wordt vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet, zo'n aanspraak - onder bepaalde omstandigheden - wordt prijsgegeven, de zekerheidsstelling ex artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 door de werknemer of gewezen werknemer wordt beëindigd of indien een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat, met inachtneming van de bepalingen bij of krachtens de artikelen 2, vierde lid, 32, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet, op een andere verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de Wet op de loonbelasting 1964; b. indien een aanspraak op lijfrente zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet, de aanspraak - onder bepaalde omstandigheden - wordt prijsgegeven, de verzekeraar of de belastingplichtige niet langer voldoen aan de gestelde voorwaarden, de lijfrenteverplichting overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1(, onderdeel b of onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, dan wel een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling; c. indien de aanspraak uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer is aan te merken als een aanspraak uit een zodanige pensioenregeling, dan wel deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet wordt, of de verplichting inzake de aanspraak geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde wettelijke regelingen is ondergebracht. 6. Rente Over de periode waarover uitstel van betaling wordt verleend wordt geen invorderingsrente berekend. Indien echter het uitstel wordt beëindigd in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet, en mitsdien de belasting invorderbaar is, wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad. 7. Verscheidene contracten Wanneer een belastingaanslag is opgelegd die betrekking heeft op meer dan één lijfrentecontract of pensioenregelingen en vervolgens worden één of meer van die contracten of regelingen op niet-reguliere wijze afgewikkeld, dan dient het uitstel te worden ingetrokken voor die contracten of regelingen en wordt het uitstel gecontinueerd voor de contracten en regelingen die niet zodanig zijn afgewikkeld. Hierbij wordt gehandeld met inachtneming van het bepaalde in § 4 en met inachtneming van het bepaalde in deze paragraaf. De hierbij noodzakelijke toerekening van het uitstel enerzijds aan de contracten of regelingen ten aanzien waarvan zich een omstandigheid als hiervoor bedoeld heeft voorgedaan en anderzijds de overige contracten en regelingen, zal naar evenredigheid kunnen plaatsvinden. Zie voor een nadere uitwerking en enkele voorbeelden bijlage X bij deze leidraad. 8. Remigratie Als een belastingschuldige aan wie een conserverende belastingaanslag is opgelegd, binnen tien jaar nadat hem uitstel van betaling op de voet van artikel 25, vijfde lid, van de wet is verleend, remigreert, wordt, wanneer zich daarna een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, van de wet (zie ook het vijfde lid van deze paragraaf) niet op basis van die conserverende belastingaanslag tot invordering overgegaan. De inspecteur zal dan een (nieuwe) belastingaanslag opleggen naar aanleiding van die omstandigheden. § 5b. Uitstel van betaling van inkomstenbelasting inzake kapitaalverzekering eigen woning 1. Waarvoor uitstel Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, zesde lid, van de wet heeft betrekking op conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting uit het voordeel kapitaalverzekering eigen woning die bij emigratie is verschuldigd. 2. Duur van het uitstel Het uitstel vangt aan vanaf de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. De maximale termijn waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend wordt indirect bepaald door de omstandigheden genoemd in de artikelen 3.111 en 3.116, eerste en derde lid, Wet inkomstenbelasting 2001. 3. Opeisbaarheid conserverende belastingaanslag/beëindiging uitstel Het uitstel eindigt van rechtswege als zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de belastingschuldige een voordeel geniet als gevolg van een kapitaalsuitkering op grond van de kapitaalsverzekering eigen woning (vgl. artikel 3.116, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001) of indien de kapitaalsverzekering eigen woning geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen in de zin van artikel 3.116, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De ontvanger trekt alsdan het uitstel in bij voor bezwaar vatbare beschikking. De belastingaanslag wordt vervolgens invorderbaar. 4. Rente Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, zesde lid, van de wet is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Indien echter krachtens artikel 25, zesde lid, van de wet het uitstel wordt beëindigd wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad. § 5c. Uitstel van betaling van inkomstenbelasting wegens inkomen (vervreemdingsvoordelen) uit aanmerkelijk belang Afdeling 1. Buitenlandsituaties 1. Algemeen In artikel 25, achtste lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen voor conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd wegens inkomen (vervreemdingsvoordelen) uit aanmerkelijk belang geheven ter zake van: a. emigratie van de aandeelhouder; b. verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland; c. een aandelenfusie door een buitenlandse belastingplichtige waarbij deze zijn aandelen of winstbewijzen in een in Nederland gevestigde vennootschap ruilt voor aandelen of winstbewijzen in een buiten Nederland gevestigd lichaam; d. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel van aandelen of winstbewijzen naar een niet in Nederland woonachtige natuurlijke persoon. 2. Duur van het uitstel/kwijtschelding Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid van deze paragraaf. 3. Opeisbaarheid conserverende belastingaanslag/beëindiging uitstel Het uitstel wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking beëindigd als: a. aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de zin van artikel 4.12 of artikel 4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g en i, tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De ontvanger beëindigt het uitstel voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aandelen of de winstbewijzen die worden vervreemd. Het uitstel wordt voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aandelen of winstbewijzen die na de hiervoor bedoelde vervreemding nog tot het vermogen van de belastingschuldige behoren; b. de onderneming van de vennootschap waarin de aandelen of winstbewijzen worden gehouden geheel of nagenoeg geheel wordt gestaakt en de aanwezige reserves geheel of nagenoeg geheel aan de aandeelhouders worden uitgekeerd; c. sprake is van een teruggaaf van wat op aandelen of winstbewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd. 4. Voortzetting van het uitstel na vervreemding Ingeval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdelen d tot en met g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet wanneer de belastingschuldige daartoe een verzoek doet. Dit is mogelijk in de vo