BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 24
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Algemeen 1. Afwijking open systeem Het specifieke karakter van fiscale en soortgelijke vorderingen brengt met zich mee dat de verrekeningsregels uit het burgerlijk recht niet zonder meer op deze vorderingen van toepassing kunnen zijn. Artikel 24 van de wet bevat om die reden een eigen verrekeningsregime, dat afwijkt van de algemene verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. De verrekeningsregeling van de Faillissementswet (artikelen 53 t/m 56, 234, 235 en 307) is wel van toepassing op fiscale en soortgelijke vorderingen. 2. Wanneer verrekening De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan niet tot verrekening wordt overgegaan. Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen willigt de ontvanger dit verzoek altijd in. Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (artikel 25, § 3, van deze leidraad). 3. Betwiste schuld In het algemeen blijft verrekening met een te betalen bedrag dat door de belastingschuldige wordt betwist achterwege, indien voor dit bedrag uitstel van betaling in de zin van artikel 25, § 2, van deze leidraad is verleend. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de bestreden belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts geen voldoende zekerheid is gesteld. Bovendien vindt, in afwijking van de eerste volzin, verrekening wel plaats als de belastingschuldige hierom verzoekt. 4. Reikwijdte van de verrekening De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Dat geldt niet alleen voor bedragen die betrekking hebben op rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen maar ook voor bedragen van de daarmee verband houdende (bestuurs- of civielrechtelijke) vorderingen van belastingschuldige op de Staat of de ontvanger. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen. Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering feitelijk aan de ontvanger is opgedragen, welk moment wordt gemarkeerd door de toezending van het dwangbevel door de heffende instantie. Laatstbedoelde verrekening is echter niet meer mogelijk zodra de belastingschuldige failliet is verklaard. 5. Fiscale eenheid vennootschapsbelasting Wanneer de belastingschuldige, als moedermaatschappij dan wel als centrale maatschappij, onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting als bedoeld in artikel 15 dan wel artikel 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen van deze belastingschuldige te innen bedragen niet alleen worden verrekend met aan deze belastingschuldige uit te betalen bedragen, maar ook met uit te betalen bedragen van andere maatschappijen die onderdeel van die fiscale eenheid uitmaken. Deze verrekeningsmogelijkheid ziet op alle te innen en uit te betalen bedragen en is dus niet beperkt tot de vennootschapsbelasting. Deze exclusieve verrekeningsmogelijkheid is ook van toepassing in de situatie dat één of meer tot de fiscale eenheid behorende of behoord hebbende maatschappijen failliet zijn verklaard. Verrekening van uit te betalen bedragen ten name van één van de maatschappijen van een fiscale eenheid met aanslagen ten name van één van de andere maatschappijen van die fiscale eenheid is mogelijk indien en voorzover zowel het uit te betalen bedrag als het te innen bedrag beide materieel zijn ontstaan gedurende het bestaan van de fiscale eenheid. Dit laatste geldt ongeacht het feit dat daadwerkelijke verrekening (zie het zesde lid van deze paragraaf) pas plaatsvindt na verbreking van de fiscale eenheid. Ter vermijding van interpretatieverschillen wordt opgemerkt dat in de belastingaanslagen begrepen belastingschuld ook wordt geacht materieel te zijn ontstaan gedurende het bestaan van de fiscale eenheid als door achterwaartse verliesverrekening verliezen, die zijn opgekomen na verbreking, worden teruggewenteld naar een periode voor verbreking. Als echter verliezen die zijn ontstaan tijdens het bestaan van de fiscale eenheid worden teruggewenteld naar perioden die zijn gelegen voor het verenigingstijdstip, dan worden de teruggaven die daarvan het gevolg zijn niet aangemerkt als betrekking hebbend op de bestaansduur van de fiscale eenheid. Dit houdt echter niet zonder meer in dat verrekening op de voet van artikel 24 van de wet dan niet zou kunnen plaatsvinden. Als namelijk aan de hoofdregel van artikel 24 wordt voldaan, behoeven de specifiek in het tweede lid, tweede volzin, genoemde voorwaarden niet te zijn vervuld, wil toch verrekening mogelijk zijn. Verrekening blijft dan immers mogelijk omdat het om dezelfde belastingschuldige gaat, ongeacht het tijdvak waarop de in te vorderen en uit te betalen bedragen betrekking hebben. 5a. Voeging en ontvoeging van de fiscale eenheid binnen één boekjaar Indien een dochtermaatschappij in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en deze eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij nog in hetzelfde boekjaar eindigt, wordt geacht voor de heffing van vennootschapsbelasting, met betrekking tot die tussenliggende periode ten aanzien van die dochtermaatschappij geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op een bestaande fiscale eenheid die in de loop van het boekjaar deel gaat uitmaken van een andere fiscale eenheid en nog in hetzelfde boekjaar uit laatstgenoemde eenheid wordt ontvoegd. Evenwel blijven in de hiervoor genoemde gevallen verrekeningen die plaats hebben gevonden in de periode die is gelegen tussen de voeging en de ontvoeging in stand. 6. Tijdstip van verrekening Als tijdstip van verrekening geldt de dagtekening van het aanslagbiljet of de beschikking waaruit van het uit te betalen bedrag blijkt. De datum waarop feitelijk de administratieve afboeking plaatsheeft is niet van belang. Voor de berekening van de invorderingsrente op de aanslag waarmee het uit te betalen bedrag wordt verrekend geldt dus bovengenoemde dagtekening als dag van betaling in de zin van artikel 28, vijfde lid, van de wet. Als op of na de bovengenoemde dagtekening invorderingsmaatregelen zijn getroffen, worden de hieraan verbonden kosten verminderd voorzover ze betrekking hebben op dat deel van de aanslag dat door verrekening teniet is gegaan. 7. Verjaring Het recht tot verrekening verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de aanslag geheel invorderbaar is. Deze verjaring kan worden geschorst of gestuit. Zie hiervoor hetgeen bij artikel 27 van deze leidraad is vermeld. 8. Bekendmaking Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger geschiedt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan hem van een kennisgeving. Deze bekendmaking kan ook namens de ontvanger door de B/CA worden gedaan. Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is. 9. Verrekening omzetbelasting Naast de verrekeningsregels van artikel 24 van de wet kent artikel 19, tweede lid, onderdeel b, AWR nog de mogelijkheid van uitstel in het zicht van "verrekening". Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de inspecteur uitstel verlenen voor de betaling van loonbelasting of omzetbelasting die over enig tijdvak verschuldigd is, als met betrekking tot dat tijdvak of een tijdvak dat gelijktijdig met dat tijdvak dan wel reeds vóór het eind van dat tijdvak is geëindigd, een teruggaaf van omzetbelasting is te verwachten, vanwege het feit dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan de voor aftrek in aanmerking komende belasting. Uiteraard wordt alleen uitstel verleend als er geen onherroepelijk vaststaande andere belastingaanslagen openstaan waarmee de te verwachten teruggaaf verrekend kan worden. Voorts geldt het uitstel alleen tot het beloop van de teruggaaf. Het verzoek om uitstel dient tevens een machtiging aan de ontvanger te behelzen waardoor de teruggaaf omzetbelasting kan worden aangewend voor het doen van de betaling waarvan uitstel wordt verzocht. Het aanwenden van de teruggaaf in vorenbedoelde zin is namelijk geen verrekening in de zin van artikel 24 van de wet en kan dus niet plaatsvinden dan na machtiging van de rechthebbende. 10. Verrekening betalingskorting De betalingskorting (zie hiervoor hetgeen bij artikel 27a van deze leidraad is vermeld) behoort te worden verrekend met de belastingaanslag waarop deze betrekking heeft. In artikel 24, vierde lid, van de wet is daartoe bepaald dat de ontvanger de te verlenen betalingskorting verrekent met het bedrag van de belastingaanslag terzake waarvan de betalingskorting wordt verleend. Uit de formulering van het vierde lid blijkt dat de ontvanger niet slechts bevoegd maar ook gehouden is de betalingskorting te verrekenen. Op grond van het feit dat de ontvanger gehouden is tot verrekening over te gaan, kan de belastingschuldige er mee volstaan het bedrag van de aanslag te betalen verminderd met het bedrag van de verleende betalingskorting. In artikel 24, vierde lid, van de wet is tevens de verrekening van de terug te nemen betalingskorting geregeld. Wanneer de belastingaanslag terzake waarvan een betalingskorting is verleend, wordt verminderd, moet de ontvanger de in verband met de vermindering terug te nemen betalingskorting verrekenen met het uit te betalen bedrag van de vermindering. Wanneer de ontvanger abusievelijk verzuimt de terug te nemen betalingskorting te verrekenen, kan de betalingskorting worden ingevorderd op grond van de wet (zie artikel 6 en 7 van deze leidraad). Omdat de betalingskorting onvoorwaardelijk moet kunnen worden verrekend, zijn het tweede en derde lid van artikel 24 van de wet niet van toepassing. Gelet op het onvoorwaardelijke karakter van de verrekening van de betalingskorting is in artikel 24, zesde lid, van de wet bepaald dat verrekening van het bedrag van de betalingskorting ook mogelijk is nadat de ontvanger heeft ingestemd met de cessie of verpanding van de vordering in verband met de te verlenen betalingskorting. Als tijdstip van de verrekening geldt het tijdstip waarop de betalingskorting wordt verleend - dit is de eerste vervaldag van de betreffende belastingaanslag - of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt. 11. Uitstelfaciliteiten inkomstenbelasting en successie- en schenkingsrecht Als met betrekking tot een conserverende belastingaanslag dan wel met betrekking tot de in een belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening overgegaan. Verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten die nog niet onherroepelijk vaststaan en die samenhangen met de conserverende belastingaanslag dan wel samenhangen met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, dertiende, veertiende, zestiende of achttiende lid, van de wet uitstel van betaling is verleend kan zonder enig bezwaar plaatsvinden, tenzij voor de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met bezwaar of beroep. Voor een zodanige bestuurlijke boete wordt in elk geval geen uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad. Zie in dit verband artikel 25, §4, zesde lid, van deze leidraad. 11a. Voorlopige teruggaaf van de partner In het geval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven zonder toestemming van de partner niet met de de belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. Zie in dit verband hoofdstuk III, artikel 19, §3, lid 7 a. 11b. Verrekening voorlopige teruggaaf met belastingaanslagen die betrekking hebben op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak Als sprake is van een belastingaanslag die betrekking heeft op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak als een voorlopige teruggaaf, is verrekening mogelijk van die teruggaaf met de belastingaanslag in weerwil van instemming met cessie of verpanding van de teruggaaf. 12. [Red: Vervallen.] 13. Verrekening van uit te betalen bedragen in het kader van de moeder-/dochterrichtlijn Voor verrekening van uit te betalen bedragen in het kader van de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-staten wordt verwezen naar Hoofdstuk XVI. 14. Verrekeningsmogelijkheid rechten bij invoer Gelet op de tekst van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de wet kunnen alle rechten bij invoer en uitvoer (en dus ook anti-dumpingheffingen bij invoer en landbouwheffingen bij in- en uitvoer) met teruggaven van nationale heffingen worden verrekend en omgekeerd. Als bij de invordering van een douaneschuld blijkt dat een schuldenaar een teruggaaf van een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst, dan een organisatieonderdeel van de Belastingdienst dat belast is met douaneaangelegenheden, verwacht, dan zal het initiatief tot verrekening moeten uitgaan van de douane. Als in het kader van bijstand bij de invordering een organisatieonderdeel van de Belastingdienst dat belast is met douaneaangelegenheden een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst, dat niet met die aangelegenheden is belast, benadert, zal dat aangezochte organisatieonderdeel zoveel mogelijk maatregelen moeten treffen om de mogelijkheden van verrekening te waarborgen. In de situatie dat een teruggaaf van een organisatieonderdeel van de Belastingdienst dat niet belast is met douaneaangelegenheden, wordt verrekend met een vordering van een organisatieonderdeel van de Belastingdienst dat belast is met douaneaangelegenheden, zal het betreffende organisatieonderdeel van de Belastingdienst dat belast is met douaneaangelegenheden aan de schuldenaar bericht moeten zenden over deze verrekening. Een eventueel administratief (artikel 24) beroep zal dus door dit organisatieonderdeel van de Belastingdienst, dat belast is met douaneaangelegenheden, moeten worden behandeld. Het spreekt voor zich dat ook het spiegelbeeld zich kan voordoen. Vooral bij bedrijven met veel internationale activiteiten of handel in accijnsgoederen verdient dit de aandacht. Omdat een Produktschap geen onderdeel uitmaakt van de Staat, kan niet worden verrekend met restituties die door het Produktschap worden uitbetaald. De ontvanger kan in voorkomend geval wel onder het Produktschap derdenbeslag leggen. Opgemerkt wordt dat de bevoegdheid tot verrekening die de ontvanger ontleent aan artikel 24 van de wet terzake van bedragen met betrekking tot de rechten bij in- en uitvoer, de nationale heffingen, de bestuurlijke boeten, de compenserende rente en de kosten van ambtelijke werkzaamheden geldt voor alle op of na 1 juni 1996 te innen respectievelijk uit te betalen bedragen, ongeacht of zij betrekking hebben op een periode die gelegen is voor 1 juni 1996. § 2. Overdracht van vorderingen en verpanding 1. Algemeen In artikel 3:94 BW is de mogelijkheid opgenomen om een vordering op naam over te dragen. Daarnaast biedt artikel 3:239 BW de mogelijkheid om op een vordering op naam een stil pandrecht te vestigen. Wanneer de ontvanger niet met de overdracht of verpanding van een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met openstaande schulden overgaan, ook al is de overdracht of verpanding aan hem meegedeeld. Als sprake is van openbare verpanding van een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag geldt geen instemmingsregeling. Het uit te betalen bedrag kan ondanks de verpanding worden verrekend met de op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag openstaande belastingschuld. Met betrekking tot een verrekening, nadat de ontvanger heeft ingestemd met de cessie of verpanding van een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag in verband met een te verlenen betalingskorting, wordt verwezen naar artikel 24, § 1, tiende lid, van deze leidraad. Opgemerkt wordt dat waar in deze paragraaf wordt gesproken over verpanding uitsluitend de zogenaamde stille verpanding is bedoeld. 2. Mogelijkheid van cessie of verpanding Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits dit bedrag met voldoende bepaaldheid is omschreven. Stille verpanding van een belastingteruggaaf is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de aanslag c.q. teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft. 3. Instemming Bij de beoordeling van de vraag of met een cessie of verpanding kan worden ingestemd gaat de ontvanger uit van de situatie die bestaat op het moment dat de cessie of verpanding aan hem wordt meegedeeld. De weigering van een instemming met de cessie of verpanding ziet op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger dient dan bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk te beoordelen of hij daarmee instemt. Op deze wijze kan worden bereikt dat wanneer het uit te betalen bedrag hoger is dan de openstaande belastingschuld op het moment van mededeling de ontvanger in ieder geval aan het meerdere zijn instemming niet zal onthouden, zodat dit deel van het uit te betalen bedrag naderhand niet kan worden verrekend. Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler. Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is. De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde, in casu de pandhouder of cessionaris, bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij de directeur beroep in te stellen. Wanneer de instemming is geweigerd worden daarbij de gronden die tot de weigering hebben geleid medegedeeld. Het weigeren om met een cessie of verpanding in te stemmen maakt op zichzelf de cessie of verpanding niet rechtsongeldig als op juiste wijze aan de vereisten voor de totstandkoming van een cessie of verpanding is voldaan. Weigering of instemming heeft slechts consequenties voor de verrekeningsbevoegdheid van de ontvanger. Wanneer de instemming is geweigerd en de belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen ten tijde van de uitbetaling van het terug te geven bedrag inmiddels zijn voldaan, dient uitbetaling plaats te vinden aan de cessionaris of pandhouder. Evenzo kan, in het geval na verrekening van het terug te geven bedrag met belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen nog een saldo om uit te betalen resteert, bevrijdende uitbetaling daarvan slechts plaatsvinden aan de cessionaris of pandhouder. 4. [Red: Vervallen.] 5. Beroepsfase Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. 6. Bekendmaking en periode waarbinnen geen verrekening mogelijk is De beslissing van de directeur geschiedt bij beschikking. De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in casu de pandhouder of cessionaris. Als op het beroepschrift afwijzend is beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat, na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt, acht dagen zijn verstreken. Gedurende deze termijn wordt het uit te betalen bedrag noch uitbetaald noch verrekend. 7. Niet tijdig ingediend beroepschrift Wordt het beroepschrift niet tijdig ingediend dan wordt de belastingschuldige niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep. In dat geval onderzoekt en beslist de directeur ambtshalve of met inachtneming van het vorenstaande aanleiding bestaat aan het beroep tegemoet te komen, tenzij vóór de indiening van het beroepschrift het uit te betalen bedrag al is verrekend. 8. Niet tijdig nemen van een beslissing Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om instemming met een cessie of een pandrecht kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. De belastingschuldige wordt in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard als het beroepschrift niet binnen een redelijke termijn na de op het verzoek volgende verrekening is ingediend. Wat een redelijke termijn is hangt af van de omstandigheden van het geval. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat instemming had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. 9. Kort geding De beroepsmogelijkheid als vermeld in het vorige lid laat onverlet dat de belastingschuldige zich altijd met een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot de president in kort geding kan wenden met het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de president in kort geding uitspraak heeft gedaan gaat de ontvanger niet tot verrekening over. Ingeval het verzoek wordt afgewezen vindt de verrekening niet eerder plaats dan nadat 14 dagen na de dag waarop de uitspraak is gedaan zijn verstreken, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld. In dat geval zal verrekening niet eerder plaatsvinden dan nadat, als ook in hoger beroep het verzoek is afgewezen, de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk vaststaat.