BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 21
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Voorrang 1. Werkingssfeer Dit artikel voorziet in een voorrecht voor alle rijksbelastingen en de hierop verschuldigde opcenten, sociale verzekeringspremies, rente en kosten, op alle zaken en vermogensrechten waarop verhaal mogelijk is. 2. Executiekosten Artikel 3:277 BW geeft aan dat de kosten die aan een executie zijn verbonden steeds bij voorrang uit de opbrengst kunnen worden voldaan. Onder executiekosten kunnen in dit verband worden verstaan de kosten die met betrekking tot de uitwinning na het bevel tot betaling zijn gemaakt. Na een executie spitst de verdeling zich - met inachtneming van de rangorde - dus toe op de netto-opbrengst. 3. Rangorde Het fiscale voorrecht neemt rang na hypotheek en pand, voorzover het pandrecht niet rust op een zaak als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet en daarbij ook aan de overige in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan. Zie in dit verband artikel 3:279 BW. Dit houdt in dat het voorrecht alleen boven een bezitloos pandrecht kan worden ingeroepen voor de in artikel 22, derde lid, van de wet genoemde belastingen. Opgemerkt wordt dat in het geval van faillissementsvorderingen bij samenloop van het bodemvoorrecht en het bezitloos pandrecht het bodemvoorrecht niet geldt voor bestuurlijke boeten die zijn vastgesteld in verband met de naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet en de bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet. Het voorrecht van de fiscus gaat daarnaast boven alle andere voorrechten, met uitzondering van de voorrechten als genoemd in de artikelen 3:287, 3:288, letter a, en 3:284 BW. De laatstgenoemde uitzondering geldt alleen voor de kosten van behoud, die na de dagtekening van het betreffende aanslagbiljet zijn ontstaan. 4. Voorrecht douane-expediteur artikel 32a DW Het voorrecht van de douane-expediteur van artikel 32a DW is gelijk aan het voorrecht op grond van artikel 21 van de wet, met dien verstande dat dit laatste recht voorgaat. Verwezen wordt naar bijlage II. 5. Zaaksvervanging Een bestaand voorrecht is tevens van kracht op de vergoedingen die verband houden met het tenietgaan of de waardevermindering van de inbeslaggenomen zaak. Deze zaaksvervanging treedt eerst in werking na de betekening van het oorspronkelijke beslag aan de schuldenaar van de vergoeding (vergelijk artikel 455a, eerste lid, Rv). Voorts dient het beslag aan de belastingschuldige te worden betekend binnen acht dagen na de betekening van het beslag aan de schuldenaar van de vergoeding. 6. Geldend maken van het voorrecht boven bezitloos pandrecht op bodemzaken door de ontvanger Het recht van voorrang boven bezitloos pandrecht op bodemzaken, wordt geldend gemaakt door op de betreffende bodemzaak beslag te leggen. De bezitloos pandhouder blijft ook na dit beslag bevoegd de betreffende zaken tot zich te nemen en te executeren met inachtneming van de bepalingen betreffende executie krachtens pandrecht. Nadat de zaken door de bezitloos pandhouder te gelde zijn gemaakt, is hij gehouden om de netto-opbrengst van de inbeslaggenomen zaken aan de ontvanger - althans voor het deel van diens vordering dat bevoorrecht is boven pand en waarvoor beslag is gelegd - af te staan. Het bepaalde in het negende lid van deze paragraaf is daarbij van overeenkomstige toepassing. Zolang de pandhouder de ontvanger niet heeft aangezegd dat hij van zijn bovengenoemde bevoegdheid gebruik zal maken, blijft de ontvanger bevoegd de inbeslaggenomen bezitloos verpande zaken te executeren. 7. Geldend maken van het voorrecht boven bezitloos pandrecht op bodemzaken in faillissement c.q. in de wettelijke schuldsaneringsregeling Ten gevolge van de faillietverklaring c.q. de uitspraak waarbij de wettelijke schuldsaneringsregeling op de belastingschuldige van toepassing is verklaard, vervallen alle individueel gelegde beslagen waaronder ook het beslag op bezitloos verpande bodemzaken. Vanaf de faillietverklaring c.q. de uitspraak schuldsaneringsregeling is inbeslagneming van bezitloos verpand bodemzaken door de ontvanger niet langer mogelijk. Het algemene faillissementsbeslag treedt daarvoor -zowel in de faillissements- als in de schuldsaneringssituatie- van rechtswege in de plaats. Voor de rechten die de ontvanger in voorkomend geval aan laatstbedoeld beslag kan ontlenen, is van belang dat zich ten tijde daarvan bezitloos verpande bodemzaken in de boedel bevinden. De curator in het faillissement dan wel de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling dient op grond van artikel 57, derde lid, FW de belangen te behartigen die de ontvanger ingevolge artikel 21, tweede lid, van de wet heeft. In het geval de pandhouder de bezitloos verpande zaken, overeenkomstig zijn daartoe wettelijk gegeven bevoegdheid tijdens het faillissement c.q. de schuldsaneringsregeling te gelde maakt, is hij gehouden de netto-opbrengst daarvan aan de curator dan wel de bewindvoerder af te dragen tot het beloop van de fiscale vorderingen waarvoor de ontvanger bevoorrecht is boven pand. Het is daarbij niet van belang of de fiscale vorderingen reeds ten tijde van de liquidatie van de bezitloos verpande zaken door de pandhouder al zijn geformaliseerd in aanslagen. De bevoegdheid ex artikel 57, derde lid, FW oefent de curator c.q. de bewindvoerder uit op het tijdstip dat blijkt, bijvoorbeeld ten tijde van het vaststellen van de (slot)uitdelingslijst in het faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling of reeds eerder indien reeds op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van de rechten van de pandhouder onvermijdelijk maakt, dat de boven de pandhouder bevoorrechte vorderingen van de ontvanger niet uit het vrije actief kunnen worden voldaan. Als in een faillissementsvordering ex artikel 19 van de wet naheffingsaanslagen zijn begrepen voor belastingen als genoemd in artikel 22, derde lid, van de wet is het van belang de curator te wijzen op de bevoorrechte positie boven de bezitloos pandhouder. Als melding ter verificatie bij de bewindvoerder ziet op naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet geldt mutatis mutandis hetzelfde. 8. Benadeling Als de ontvanger van oordeel is dat hij door de overname van een executie door de bezitloos pandhouder in zijn belangen wordt geschaad, kan hij in overweging nemen de zaak - in kort geding -aan de rechter voor te leggen. Als na de executie van een beslagen zaak blijkt dat de ontvanger door het handelen van de pandhouder schade heeft geleden, dient een actie wegens onrechtmatige daad niet te worden uitgesloten. Het bepaalde in artikel 3, § 4, tweede lid, van deze leidraad is op vorenstaande procedures van toepassing. Tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling of tijdens het faillissement van een belastingschuldige mag van de bewindvoerder onderscheidenlijk van de curator een gelijke actie worden verlangd. 9. Volgorde uitwinning in relatie tot bezitloos verpande zaken Als er beslag is gelegd en de ontvanger is ervan op de hoogte dat onder de beslagen zaken zich zaken ex artikel 21, tweede lid, van de wet en/of bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet bevinden, zal de ontvanger, als hij tot executie overgaat, zich eerst verhalen op de zaken van de belastingschuldige, niet zijnde de zaken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet. Vervolgens zullen de zaken ex artikel 21, tweede lid, worden uitgewonnen en pas daarna de bodemzaken. Vorenstaande volgorde behoeft niet in acht te worden genomen als op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van - de rechten op - de zaken van derden onvermijdelijk maakt of anderszins het belang van de invordering zich tegen het vorengenoemde uitgangspunt verzet. Zie in dit verband artikel 22, § 1, derde lid, van deze leidraad. 10. Tijdsduur Het fiscale voorrecht geldt gedurende de gehele periode waarin een belastingaanslag kan worden ingevorderd. Op het moment dat de verjaring als bepaald in artikel 27 van de wet intreedt, vervalt het fiscale voorrecht. 11. Geheel of gedeeltelijk afzien van de voorrang Wordt aan de ontvanger het verzoek gedaan om geheel of gedeeltelijk van het recht van voorrang af te zien om andere redenen dan ter bereiking van een akkoord, dan wordt dit verzoek ter verdere afwikkeling overgedragen aan het ministerie.