BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 19a
Leidraad invordering 1990
Hoofdstuk XI. Wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement ... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Aanvragen van faillissement 1. Beleidsmatige toepassing Voor de beleidsuitgangspunten die door de fiscus worden gehanteerd waar het het aanvragen van het faillissement van belastingschuldigen betreft wordt verwezen naar artikel 3, § 3, van deze leidraad. § 2. Aanmelden belastingschulden in de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 1. Wettelijke schuldsaneringsregeling Uiterlijk binnen drie maanden na de van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt de verificatie plaats. Uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan dat tijdstip dienen de vorderingen bij de bewindvoerder ter verificatie te zijn aangemeld. Het is zaak de vorderingen zo snel als mogelijk is ter verificatie aan te melden, waarbij de voorkeur uitgaat naar geformaliseerde belastingschulden. Ook nog niet geformaliseerde vorderingen kunnen worden gemeld, vergelijk artikel 133 FW Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven geacht worden van dag tot dag te ontstaan naarmate zich belastbare feiten voordoen. Opgemerkt wordt dat conserverende belastingschulden eveneens ter verificatie bij de bewindvoerder dienen te worden aangemeld. 2. Faillissementen Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar artikel 19, § 2, van deze leidraad. Opgemerkt wordt dat ook voor rechten bij invoer gebruik kan worden gemaakt van de hiervoor bedoelde vordering. § 3. Tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 1. Toezicht ontvanger De ontvanger ziet er op toe dat zijn belangen als schuldeiser door de bewindvoerder of door de curator op een juiste wijze worden behartigd. Indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken en in faillissementssituaties woont de ontvanger de verificatievergadering bij als daartoe aanleiding bestaat. 2. Mededeling beslag De ontvanger stelt de curator in kennis van alle ten tijde van de faillietverklaring op goederen van de gefailleerde liggende beslagen. Tevens informeert hij de curator over de hem bekende zaken als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet die niet in een beslag zijn begrepen en waarop een bezitloos pandrecht is gevestigd. Voorts licht de ontvanger de curator in over een vóór of tijdens het faillissement op grond van het bodemrecht gelegd beslag op roerende zaken van anderen dan de gefailleerde. Als sprake is van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling licht de ontvanger de bewindvoerder dienovereenkomstig in. 3. Verhaal tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement Als een executie voor de faillietverklaring al zover was voorbereid dat de dag van verkoop was bepaald, treedt de ontvanger - dit in verband met de mogelijkheid van voortzetting van de verkoop op de voet van artikel 34 Fw - onmiddellijk in overleg met de curator. Beslagen op goederen van derden worden niet eerder uitgewonnen dan nadat de verwachting is ontstaan dat de schuld niet geheel uit het faillissement zal worden voldaan, tenzij de belangen van de ontvanger een ander standpunt rechtvaardigen. Schuldvorderingen waarvoor zekerheid is gesteld worden op de gewone wijze onder opgaaf van die zekerheid bij de curator aangemeld. De afwikkeling van zakelijke zekerheden geschiedt zoveel mogelijk in overleg met de curator. De ontvanger draagt (mede) zorg voor een tijdige en juiste afwikkeling van de zekerheden, waarbij hij met name de met de zekerheden verband houdende termijnen bewaakt. Gedurende het faillissement worden geen vorderingen gedaan onder schuldenaren van de gefailleerde. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de invordering van belastingaanslagen die onder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen. 4. Boedelschulden Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan na de uitspraak van het faillissement vormen in de praktijk veelal boedelschulden. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als de totale boedelschulden niet integraal kunnen worden voldaan dient de ontvanger er op toe te zien dat de boedelschulden met inachtneming van de toegekende preferenties worden gerangschikt. Het salaris van de curator is bevoorrecht boven de belastingschulden. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan rechtstreeks verhaal worden gezocht op de boedel. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken. 5. Verificatievergadering De ontvanger bevordert zoveel mogelijk dat eventuele geschilpunten met de bewindvoerder dan wel de curator vóór de verificatievergadering tot een oplossing worden gebracht. Tot het bijwonen van de verificatievergadering in faillissement bestaat aanleiding als: - bij kennisneming van de ter griffie neergelegde lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen blijkt dat de aangemelde belastingaanslagen door de curator niet of niet volledig of met betwisting van de gepretendeerde voorrang zijn opgenomen en voorafgaand overleg met de curator niet tot een bevredigende oplossing heeft geleid; - er grond is voor de verwachting, dat een aangemelde belastingaanslag of de daaraan verbonden voorrang ter verificatievergadering zal worden betwist; - er voldoende belang is om door het bijwonen van de vergadering nadere inlichtingen over de stand van de boedel te verkrijgen; - de ontvanger aanleiding heeft gepretendeerde rechten van andere schuldeisers te betwisten. Wanneer de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken woont de ontvanger, indien sprake is van voldoende belang, de verificatievergadering bij. Bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag vormen geen geschilpunt voor een renvooiprocedure als bedoeld in artikel 122 Fw. Degene die de ontvanger vertegenwoordigt tijdens een verificatievergadering dient in het bezit te zijn van een schriftelijke volmacht van de ontvanger, welke volmacht desgevraagd aan de rechter-commissaris kan worden overgelegd. 6. Aansprakelijkheidsschulden In het faillissement van een belastingschuldige kan een schuldenaar van de belastingschuldige, indien deze schuldenaar door de ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 34, 35, 35a of 35b van de wet, zich beroepen op een voorwaardelijke regresrecht. Door dit beroep van de schuldenaar op zijn voorwaardelijk regresrecht kan de vordering niet worden geïnd. Het beroep op het regresrecht vervalt als zeker is dat de ontvanger de schuldenaar van de belastingschuldige niet aansprakelijk stelt. In een dergelijke situatie kan (uitsluitend) de curator zich wenden tot de ontvanger met het verzoek om een besluit te nemen over het wel of niet aansprakelijk stellen van de schuldenaar van de belastingschuldige. De ontvanger dient het hiermee gemoeide belang van de curator en door hem vertegenwoordigde schuldeisers te betrekken bij de besluitvorming of hij tot aansprakelijkstelling zal overgaan. De curator overlegt aan de ontvanger alle relevante gegevens met betrekking tot de voorwaardelijke regresvordering. In ieder geval maakt de curator inzichtelijk, ook kwantitatief, hoe groot het belang van de ontvanger is bij afwikkeling van de boedel mét en zónder inning van de vordering waarvoor een beroep op de voorwaardelijke regresvordering wordt gedaan. De ontvanger verzendt de curator binnen 10 dagen na ontvangst van de gegevens een ontvangstbevestiging. Indien de ontvanger naar aanleiding van de verstrekte gegevens nadere informatie wenst, geeft hij dat aan in de ontvangstbevestiging, alsmede de – redelijke – termijn waarop de aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt. De volgende aspecten betrekt de ontvanger in ieder geval bij de mogelijke door hem te nemen beslissingen: – het financiële belang van de ontvanger bestaande uit het zo veel mogelijk innen van openstaande belastingschulden op de voor de ontvanger minst belastende wijze; – de beschikbare capaciteit – nu en in de nabije toekomst – voor het doen van haalbaarheidsonderzoeken en het aansprakelijk stellen door de ontvanger; – het belang dat de curator en de schuldeisers hebben bij een zo optimaal mogelijke incasso van de uitstaande vordering en/of bij een zo spoedig mogelijke afwikkeling van een faillissement; – hoe de omvang van de vordering van de belastingschuldige op zijn schuldenaar (= de aansprakelijke) zich verhoudt tot het mogelijke bedrag waarvoor die schuldenaar in totaliteit aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. De ontvanger deelt binnen een redelijke termijn aan de curator gemotiveerd één van de volgende beslissingen mede: – dat hij binnen 6 maanden zal overgaan tot een aansprakelijkstelling van de debiteur van de belastingschuldige; – dat hij binnen 6 weken zal overgaan tot een haalbaarheidsonderzoek van een aansprakelijkstelling; – dat bij een toekomstige aansprakelijkstelling een bedrag in mindering zal worden gebracht op de aansprakelijkheidsschuld ter grootte van het met de ontvanger overeen gekomen en ook daadwerkelijk door de aansprakelijke schuldenaar van de belastingschuldige betaalde bedrag; – dat hij de schuldenaar in het geheel niet aansprakelijk zal stellen voor de op dat moment bestaande belastingschulden. 7. Proceskosten Als de curator een gerechtelijke procedure moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, maar de aanwezige baten van de boedel zijn niet toereikend om de proceskosten te voldoen kan door de curator een verzoek worden gedaan om garantstelling voor het bedrag dat zal blijken niet uit de boedel te kunnen worden voldaan. Het verzoek dient gemotiveerd te worden ingediend bij de ontvanger. Bij de beoordeling van het verzoek van de curator dient als uitgangspunt, dat de boedel bij de actie van de curator zodanig moet zijn gebaat, dat de fiscus (een deel van) de in het faillissement ingediende vordering zal kunnen innen. De vraag of een garantie kan worden verleend, wordt door de fiscus dus benaderd vanuit zijn positie als preferent crediteur in het faillissement. Met inachtneming van het vorenstaande wordt het verzoek beoordeeld aan de hand van de volgende criteria. Indien een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger voormeld verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger, alvorens op een zodanig verzoek te beslissen, in overleg met het ministerie. 1e. Zijn de gronden waarop de curator zich beroept voor het aanspannen van de procedure voldoende, om de gevraagde proceskostengarantie te verstrekken. 2e. Is de wederpartij (tegen wie de aktie wordt ingesteld) voldoende gegoed. Als aannemelijk is dat de wederpartij geen of nauwelijks verhaal biedt, wordt geen garantie verleend. 3e. Staat het bedrag, waarvoor een proceskostengarantie wordt gevraagd, in een redelijke verhouding tot het bedrag, waarmee de boedel zal zijn gebaat als de procedure wordt gewonnen. 4e. Heeft de gevraagde proceskostengarantie uitsluitend betrekking op de kosten, die rechtstreeks verband houden met de te voeren procedure (zoals salaris curator voor de uren besteed aan de procedure, griffie- en kantoorkosten, proceskostenveroordeling bij een eventuele minder succesvolle afloop van de procedure). 5e. Zijn de schuldeisers die, bij een verdeling van de activa volgens de wettelijke regels, eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure bereid naar evenredigheid mede garant te staan voor de proceskosten. Hetzelfde geldt voor boedelschuldeisers. N.B. Wanneer, bij verdeling volgens de normale wettelijke regels, deze verdeling er naar verwachting toe zou leiden dat ook andere (faillissements- en boedel)schuldeisers door de opbrengst die met de procedure wordt beoogd een hoger bedrag krijgen uitgekeerd dan zij zouden ontvangen zonder deze opbrengst, is het redelijk dat zij naar evenredigheid van hun geschatte "aandeel" in de te verwachten opbrengst (na aftrek van de kosten en salaris van de curator) een garantie afgeven. Wanneer één of meer schuldeisers een zodanige garantie niet afgeven, geeft de fiscus slechts een garantie af als deze schuldeisers dan ook schriftelijk afstand doen van hun recht op de uitdeling die hen toekomt en voorzover die het gevolg is van de eventuele opbrengst van de procedure. Het ontmoet geen bezwaar om van belanghebbende schuldeisers die slechts een zeer klein bedrag te vorderen te hebben om praktische redenen geen medegarantie te vorderen. Zie voor een voorbeeld van het vorenstaande bijlage VIII. 6e. Welke kans heeft de curator om de te voeren procedure te winnen. Uiteraard kan er niet van worden uitgegaan, dat de kans om de procedure te winnen honderd procent is. Daarmee zou dan immers de noodzaak van een proceskostengarantie ontbreken. Als echter gerede twijfel bestaat, dat de procedure met succes kan worden gevoerd wordt uiterst terughoudend opgetreden. 8. Spaarfaillissementen Als de toestand van de boedel zodanig is dat het faillissement zou moeten worden opgeheven bij gebrek aan baten, maar er anderzijds bij voortduring van het faillissement in de toekomst baten zijn te verwachten waarmee de curator wil trachten in de boedel enig bedrag bij elkaar te sparen waaruit alsnog een uitdeling aan de schuldeisers kan worden gedaan, kan de ontvanger met een dergelijke werkwijze akkoord gaan als de daardoor voor de fiscus te verwachten uitkering substantieel is. De ontvanger gaat niet met deze werkwijze akkoord als het meer dan 5 jaren gaat duren om een acceptabel bedrag bij elkaar te vergaren. Als de curator deze werkwijze dan toch wil voortzetten, wendt de ontvanger zich tot de rechter-commissaris. 9. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator De ontvanger dient erop toe te zien dat de bewindvoerder of de curator zijn belangenbehartigingsplicht als neergelegd in artikel 57, derde lid, Fw op juiste wijze nakomt. Op grond van deze bepaling is de bewindvoerder of de curator onder andere verplicht erop toe te zien dat bij executie door de pandhouder van zaken die vallen onder artikel 21, tweede lid, tweede volzin, van de wet de pandhouder dat deel van de opbrengst aan de curator afstaat waarop de ontvanger op grond van zijn voorrecht recht kan doen gelden. Op de executie-opbrengst die aldus door de pandhouder moet worden afgestaan ten gunste van de boedel, kan UWV geen rechten doen gelden voor zijn vorderingen met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006. De bevoegdheid ex artikel 57, derde lid, FW kan eerst door de bewindvoerder dan wel de curator worden uitgeoefend indien en voorzover vaststaat dat de met bodemvoorrecht beklijfde vordering van de ontvanger niet uit het vrije boedelactief kan worden voldaan. De bevoegdheid wordt pas uitgeoefend voorzover bij het vaststellen van de (slot) uitdelingslijst in het faillissement blijkt dat de boven de pandhouder bevoorrechte vorderingen van de ontvanger niet uit het vrije actief kunnen worden voldaan of voorzover op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van de rechten van de pandhouder onvermijdelijk maakt. Indien de ontvanger niet alleen een boven de pandhouder bevoorrechte vordering ter verificatie heeft ingediend maar ook een vordering waarvoor het bodemvoorrecht niet geldt, vindt voor de beantwoording van de vraag of, en in hoeverre, voldoening uit het vrije boedelactief mogelijk is, primair toerekening plaats van het vrije boedelactief aan de laatstgenoemde vordering. Voorts dient de bewindvoerder of de curator erop toe te zien dat de pandhouder de bezitloos verpande bodemzaken niet onnodig voor een zodanig laag bedrag verkoopt dat daardoor de belangen van de ontvanger worden geschaad. § 4. Na de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 1. Na de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling Belastingvorderingen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt en voorzover die na de beëindiging van de toepassing van die regeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn, ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld, aan te merken als natuurlijke verbintenissen. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis. 2. Na faillissement Van de bij artikel 196 Fw gegeven bevoegdheid om, nadat een faillissement is geëindigd, het proces-verbaal der verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag tegen de schuldenaar te executeren, wordt met betrekking tot de belastingen in beginsel geen gebruik gemaakt. Als al tot invordering aanleiding bestaat, geschiedt dit zoveel mogelijk bij dwangbevel. Slechts in bijzondere omstandigheden wordt bij natuurlijke personen na beëindiging van het faillissement de invordering weer ter hand genomen. Deze omstandigheden doen zich onder andere voor wanneer betrokkene binnen vijf jaren na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over vermogensbestanddelen van substantiële waarde. Als na beëindiging van faillissement daaruit ontvangen gelden moeten worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 Fw in overleg met de curator. § 5. Akkoord in faillissement getoetst aan artikel 19a en artikel 22a van de regeling 1. Algemeen Als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het terzake geldende beleid ingevolge artikel 19a en 22a van de regeling en artikel 26, § 2a, van deze leidraad, als de schuldenaar hieromtrent uitdrukkelijk verzoekt.