BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 19
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Algemeen 1. De vordering De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet naargelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient. Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is. Het doen van een vordering is niet mogelijk voor belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de ontvanger om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan. 2. Betekend dwangbevel Voor het doen van een vordering dient de ontvanger, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan. Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen. 3. Vooraankondiging In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) dan wel een andere vordering wordt gedaan op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De betreffende vordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. 4. Vorm Een vordering geschiedt bij beschikking die wordt bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige door toezending of, als de ontvanger dat wenselijk acht, door betekening. Bij de betekening van een vordering wordt gehandeld overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt de vordering ten name van de echtgenoot van de belastingschuldige gesteld, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de gelden, penningen of periodieke betalingen te vorderen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de gelden, penningen of periodieke betalingen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk. 5. Vervolgingskosten en rente De vordering heeft ook betrekking op verschuldigde vervolgingskosten en rente. Onder rente wordt tevens verstaan de rente die wordt belopen na de dag waarop de vordering is gedaan. 6. Voldoen aan de vordering Wanneer de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt. Uiteraard dient bij voldoening aan een faillissementsvordering rekening te worden gehouden met de eventueel aan de belastingaanslagen verbonden voorrang. Bij een betaling door de derde hoeft ook de belastingschuldige niet naar een bestemming te worden gevraagd. Er is immers geen sprake van betaling door hemzelf. Uiteraard kan de betaling alleen worden afgeboekt op de belastingaanslagen waarvoor de vordering is gedaan. 7. Niet voldoen aan de vordering Bij het niet voldoen aan een vordering wordt niet voetstoots overgegaan tot het leggen van derdenbeslag. In de eerste plaats wordt nagegaan of de zaak van voldoende belang is om aldus te worden voortgezet. Voorts wordt het derdenbeslag slechts gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd. Daarvan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen aan de vordering te wijten is aan de derde. Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering ingetrokken. Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan. 8. Intrekken van een vordering Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden gehandhaafd, wordt zij bij beschikking ingetrokken. Deze beschikking wordt aan degene jegens wie de vordering is gedaan, bekendgemaakt. 9. Verzet In het geval de belastingschuldige op grond van artikel 19, vierde lid, van de wet in verzet komt tegen de vordering vindt het bepaalde in artikel 17, § 1, tweede lid, van deze leidraad zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing. Verzet brengt niet met zich mee dat de derde jegens wie de vordering is gedaan aan de belastingschuldige mag betalen. 10. Onverschuldigde betaling Wanneer de derde voldoet aan de vordering van de ontvanger, maar later blijkt dat hij niets of een geringer bedrag aan de belastingschuldige is verschuldigd, kan de derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde betaling instellen. Dergelijke vorderingen worden ter behandeling doorgezonden aan het ministerie. Aan de afwikkeling van een dergelijke vordering wordt zoveel mogelijk medewerking verleend, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat niet méér op de door de ontvanger jegens de derde gedane vordering is betaald dan de derde uiteindelijk aan de belastingschuldige verschuldigd is. Als aan de vordering uit onverschuldigde betaling van de derde wordt voldaan, wordt de belastingaanslag terzake waarvan de vordering ex artikel 19 van de wet jegens de derde is gedaan, geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De ontvanger kan de invordering van die belastingaanslag dan ook hervatten alsof er geen vordering ex artikel 19 was gedaan. 11. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag Wanneer een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand wordt de belastingaanslag verminderd of vernietigd wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of terugbetaald aan de belastingschuldige. Aan de derde zal geen terugbetaling plaatshebben, omdat de derde jegens de belastingschuldige is gekweten en dus geen partij meer is. 12. Doorbreken beslagverboden Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke betalingen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag. 13. Notoire wanbetaler In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet, vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten; b. de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee maanden overschreden; c. de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen; d. de onder c vermelde voorwaarde geldt niet voor aanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Voor deze aanslagen geldt naast de voorwaarden genoemd onder a en b als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt sprake moet zijn van een motorrijtuigenbelastingschuld die door middel van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering, voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip. § 2. De faillissementsvordering 1. Aan te melden schulden In een faillissement vallen de belastingschulden (als ook invorderingsrente en heffingsrente) voorzover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Met betrekking tot bijvoorbeeld de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt, tenzij het tegendeel blijkt, ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag. Hieruit volgt dat in het faillissement de bedragen moeten worden geverifieerd die verschuldigd zijn tot aan de dag van de faillietverklaring, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen niet verifieerbaar zijn en eventueel als boedelschuld moeten worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan. Omdat het vorenstaande betrekking heeft op de materiële belastingschuld is het niet van belang of de schuld is belichaamd in een voorlopige, definitieve, navorderings- of naheffingsaanslag (conserverende belastingaanslagen daaronder begrepen), terwijl evenmin de dagtekening terzake doet. Wel wordt er zoveel mogelijk voor gezorgd dat de belastingaanslagen - als het juiste bedrag nog niet kan worden bepaald zo nodig in de vorm van een voorlopige of een nadere voorlopige aanslag - op een zodanig tijdstip tot stand komen, dat indiening ter verificatie tijdig kan plaatshebben. Voor de vraag of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Indien die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de boete in het faillissement worden aangemeld. Ligt de dagtekening na uitspraak van het faillissement, ook al heeft de boete betrekking op een situatie van vóór het faillissement, dan kan de boete niet meer in het faillissement worden aangemeld. 2. Surseance van betaling Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een aan het faillissement voorafgaande surseance van betaling kunnen op grond van artikel 249 Fw worden beschouwd als boedelschulden in het fail lissement. Het bepaalde in het vorige lid is op deze schulden en de hierop betrekking hebben belastingaanslagen mutatis mutandis van toepassing. 3. Opkomen in faillissement Voor de in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van de wet geldt, komt de ontvanger op door het doen van een vordering aan de curator op de voet van het tweede lid van dat artikel. Het doen van de vordering geschiedt aldus dat het voor de curator bestemde formulier wordt toegezonden onder bijvoeging van een ontvangstbewijs dat in een bijgevoegde envelop kan worden teruggezonden. Als de vordering wordt gedaan vóór het verstrijken van de in artikel 127 Fw bedoelde termijn wordt aan de vordering toegevoegd dat de daarin omschreven schuld mede ter verificatie wordt aangemeld. Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken, geen gebruikgemaakt. Voor in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 niet geldt, doet de ontvanger een vordering op grond van de bepalingen van de Faillissementswet. In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, wordt tevens aanspraak gemaakt op eventuele voorrang. Als tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden, die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan rechtstreeks verhaal worden gezocht op de boedel. § 3. Vorderingen met betrekking tot periodieke betalingen 1. Overwegen van een vordering Bij de beoordeling van de vraag of een vordering met betrekking tot een periodieke betaling zal worden gedaan, komt een doorslaggevende rol toe aan het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Wanneer het de invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te beproeven alvorens de derde via de vordering bij de invordering te betrekken. 2. Beslagvrije voet Voor de meeste periodieke betalingen bestaat er een uniforme regeling over de beslagvrije voet die in aanmerking moet worden genomen wanneer beslag is gelegd op die betalingen. Deze regeling, die is opgenomen in artikel 475b e.v. Rv, geldt ook als een vordering wordt gedaan. Bij een vordering voor een periodieke betaling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet valt onder de vordering slechts dat deel van de periodieke betaling dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b e.v. Rv overtreft. Hetzelfde geldt bij een vordering voor bezoldigingen als bedoeld in artikel 115 Ambtenarenwet. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurstoeslag zijn vermeld in de bijlagen Ia tot en met Ic. Als een vordering wordt gedaan voor periodieke betalingen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze betalingen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe. In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft. 3. Verplichting belastingschuldige tot gegevensverstrekking De belastingschuldige is op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv verplicht aan de belastingdeurwaarder, als laatstgenoemde in het bezit is van een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. De belastingschuldige kan ook op grond van artikel 58 van de wet worden verplicht deze gegevens te verstrekken. De belastingschuldige is op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv niet verplicht op te geven of zijn partner inkomen heeft. Als hij deze gegevens niet verstrekt, wordt de beslagvrije voet gesteld op 45% van de bijstandsnorm. Wanneer de belastingschuldige naderhand deze gegevens alsnog verstrekt en de beslagvrije voet dientengevolge dient te worden verhoogd, is aan deze verhoging geen terugwerkende kracht verbonden omdat er geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 475d, vierde lid, Rv. 3a. Belastingschuldige woont in buitenland Indien de belastingschuldige in het buitenland woont en uit Nederland een periodieke uitkering geniet die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting, wordt op verzoek van belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de in het woonland over die uitkering verschuldigde belasting. De belastingschuldige dient bij zijn verzoek gegevens te overleggen waaruit van deze belasting blijkt. 4. Wijziging beslagvrije voet Als de beslagvrije voet wijzigt, geeft de ontvanger aan de derde de nieuwe beslagvrije voet op. Daarbij geeft hij tevens aan vanaf welke datum met de nieuwe beslagvrije voet rekening moet worden gehouden. Deze wijziging is een beschikking in de zin van de Awb en wordt bekendgemaakt aan de derde door toezending van een brief. Als bij de derde voor meer belastingschuldigen een vordering loopt terwijl ook voor meer van die belastingschuldigen de beslagvrije voet wijzigt, hoeft de ontvanger de derde hiervan niet door middel van afzonderlijke brieven in kennis te stellen. De derde kan worden ingelicht door middel van één brief, mits uit deze brief voor de derde zonder meer duidelijk is voor welke belastingschuldigen welke nieuwe beslagvrije voet gaat gelden en met ingang van wanneer. 5. Gegevensverstrekking door de derde Voor de wijze waarop de vordering wordt gedaan, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 19, § 1, vierde lid, van deze leidraad. De ontvanger stimuleert zoveel mogelijk dat de ontvangst van de vordering schriftelijk wordt bevestigd onder opgaaf van de hoogte van de periodieke betaling, het tijdvak waarop de periodiciteit betrekking heeft, het per betaling in te houden bedrag en de datum, waarop voor de eerste maal inhouding zal worden toegepast. 6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de Staat, geschiedt door aan de betreffende autoriteit verrekening te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en tegelijkertijd, doch subsidiair, door een vordering te doen. Bij de beslissing tot het doen van een verzoek om verrekening onderscheidenlijk een vordering is het bepaalde in het eerste lid van deze paragraaf onverkort van toepassing. De autoriteit aan wie het desbetreffende formulier - dat tevens enige nadere aanwijzingen over de te verrekenen bedragen bevat - wordt gezonden, bepaalt welk middel van verhaal zal worden toegepast. Als voor de (periodieke) inkomsten waarop verhaal wordt gezocht geen vordering kan worden gedaan, wordt uitsluitend verrekening gevraagd. Met betrekking tot (periodieke) inkomsten waarop noch door verrekening noch door middel van een vordering verhaal van belasting kan plaatshebben, kan de onderwerpelijke regeling uiteraard geen toepassing vinden. 7. Periodieke betalingen onder de bijstandsnorm Ingeval van periodieke betalingen die lager zijn dan de bijstandsnorm vanwege het feit dat naast deze betaling de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm wordt geacht te betalen, wordt de beslagvrije voet die voor betrokkene geldt verminderd met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend. 7a. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf Ingeval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven, zonder toestemming van de partner, niet met de openstaande belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. In dat geval dient te worden nagegaan wat de periodieke inkomsten van de belastingschuldige en zijn partner per maand zijn. De belastingschuldige is verplicht zowel zijn inkomsten als die van zijn gezinsleden op te geven. Vergelijk in dit verband artikel 475g Rv. Komen die gezamenlijke inkomsten uit boven de beslagvrije voet, dan wordt onder de werkgever of uitkeringsinstantie van de belastingschuldige een vordering gedaan, waarbij, rekening houdende met de regeling van de beslagvrije voet, wordt aangegeven welk bedrag maandelijks dient te worden ingehouden. Indien de belastingschuldige weigert informatie te verschaffen wordt de beslagvrije voet gehalveerd.