BWBR0004800
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 10
Leidraad invordering 1990
... [Regeling vervallen per 01-07-2008] § 1. Versnelde invordering 1. Algemeen In artikel 10, eerste lid, van de wet is een limitatieve opsomming gegeven van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen, om te voorkomen dat de invordering illusoir zou worden. In artikel 10, tweede lid, van de wet worden bepaalde belastingaanslagen van de versnelde invordering op de voet van het eerste lid, onderdelen a, e, f en g, uitgezonderd. De uitgezonderde belastingaanslagen zijn de (conserverende) voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting en de voorlopige aanslagen in de vennootschapsbelasting, één en ander voor zover die belastingaanslagen zijn opgelegd in het jaar waarop die belastingaanslagen betrekking hebben. Het gaat hier om dezelfde belastingaanslagen als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in het algemeen in drie of meer betalingstermijnen van elk een maand kunnen worden betaald (zie artikel 9, § 1, tweede lid, onder 2.5, van deze leidraad). Artikel 10, derde lid, van de wet bepaalt dat in het geval genoemd onder h, het versneld opeisbaar worden alleen geldt voor een uitnodiging tot betaling en een met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, kosten van ambtelijke werkzaamheden of een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 DW. 2. Vervaldagen op het aanslagbiljet Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, wordt op het aanslagbiljet de vervaldag vermeld zoals die bij artikel 9 van de wet aan de belastingaanslag is toegekend. 3. Reikwijdte versnelde invordering Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 van de wet over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden, maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is, deelt de ontvanger de belastingschuldige, onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat, schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het biljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 wordt overgegaan, als sprake is van direct contact met de belastingschuldige, deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend, maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen), vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving artikel 15, juncto artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de in dat kader geldende twee-dagentermijn nog niet is verstreken. Er behoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belasting schuldige wordt, als sprake is van direct contact met laatstgenoemde, eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Van de feiten en omstandigheden op grond waarvan de ontvanger tot zijn beslissing is gekomen, houdt hij aantekening in het invorderingsdossier. Voor het geval de belastingschuldige nadere gegevens wenst over de genomen maatregelen, kan hij zich altijd wenden tot de ontvanger die het noodzakelijk heeft geacht om tot versnelde invordering over te gaan. De ontvanger zal dan de gegevens, waaronder desgevraagd de concrete feiten en omstandigheden die de aanleiding vormden om tot versnelde invordering over te gaan, op zo kort mogelijke termijn schriftelijk aan de belastingschuldige meedelen. Een op grond van artikel 10, eerste lid, terecht geheel opeisbaar geworden belastingaanslag, blijft geheel opeisbaar, ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden. 4. Versnelde invordering en uitstel van betaling Voor versnelde invordering in relatie tot uitstel van betaling voor conserverende belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, derde, vierde, vijfde, zesde, achtste of zeventiende lid, van de wet en tot uitstel van betaling van belasting als bedoeld in artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet, wordt verwezen naar artikel 25, § 4, achtste lid, van deze leidraad. 5. Faillissement en de wettelijke schuldsaneringsregeling (eerste lid, onderdeel a) Zodra het de ontvanger bekend is dat de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert dan wel dat ten aanzien van hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, zal hij onmiddellijk de openstaande belastingschuld ter verificatie melden bij de curator in het faillissement onderscheidenlijk bij de bewindvoerder van de schuldenaar ten aanzien van wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Als na de faillietverklaring of nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken nieuwe belastingaanslagen worden opgelegd kan de ontvanger deze, uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde belastingaanslagen, eveneens onmiddellijk bij de curator onderscheidenlijk de bewindvoerder melden. Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, kunnen niet eerder worden aangemeld dan nadat en voorzover de aan die aanslagen verbonden termijnen zijn vervallen. De voorlopige aanslagen worden naar tijdsevenredigheid gesplitst. Het gedeelte vanaf het begin van het jaar tot de datum van faillietverklaring of tot de datum waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken wordt aangemeld ter verificatie. Voor het gedeelte vanaf de dag van faillietverklaring tot het einde van het jaar of vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling tot het einde van het jaar wordt een boedelvordering gedaan. 6. Vrees voor verduistering (eerste lid, onderdeel b) Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden, zoals bijvoorbeeld door gedragingen van crediteuren, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Wordt verduistering gevreesd van goederen waarvan de ontvanger vermoedt dat het goederen van de belastingschuldige zijn, terwijl het daarentegen later blijken uitsluitend goederen van een derde te zijn, dan is van het begin af aan geen rechtsgeldig beslag gelegd. Alsdan is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, in die zin dat het moet gaan om goederen van de belastingschuldige, en derhalve kan geen sprake zijn van een rechtsgeldig gelegd beslag. Het beslag hoeft in die gevallen dus niet formeel te worden opgeheven, maar de betrokkenen dienen wel op de hoogte te worden gesteld van het feit dat het beslag niet ligt. Wordt verduistering gevreesd van goederen die daadwerkelijk eigendom zijn van de belastingschuldige, dan is de belastingaanslag "terstond en tot het volle bedrag invorderbaar", dus zonder beperkingen, zodat in dat geval ook beslag kan worden gelegd op bodemzaken. 7. Metterwoon verlaten van Nederland (eerste lid, onderdeel c) Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren, er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op zich in Nederland bevindende goederen van de belastingschuldige. Het vorenstaande lijdt uitzondering als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de schuld wel kan worden verhaald. 8. Geen vaste woonplaats in Nederland (eerste lid, onderdeel d) Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zichzelf geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er dient een situatie te bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. In dit verband valt te denken aan een situatie waarin een in het buitenland wonende belastingschuldige al zijn goederen in Nederland gaat verkopen. In de gevallen waarin de belastingschuldige in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, is deze veelal moeilijk traceerbaar. Als in zo'n situatie ook geen duidelijk traceerbare verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn, vormen deze omstandigheden in onderlinge samenhang voldoende reden om gegronde vrees voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslag aanwezig te achten. 9. Er ligt al beslag (eerste lid, onderdeel e) Als beslag is gelegd voor belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de ontvanger die nieuwe belastingaanslagen, net als de al opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd, versneld invorderen, dit uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde gevallen. Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de sociale verzekeringspremies. De in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet bedoelde goederen kunnen tevens zogenaamde "bodemzaken" als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet zijn. Artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet kan evenwel geen toepassing vinden ten aanzien van een belastingschuldige onder wie beslag is gelegd voor de belastingschuld van een ander (bijvoorbeeld door middel van derdenbeslag). Het zal hier doorgaans gaan om goederen van die ander die zich bij de belastingschuldige bevinden. Door de onderhavige beslaglegging worden belastingaanslagen van de belastingschuldige, waarvan de betalingstermijnen nog niet zijn verschenen, niet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar, want het betreft hier geen beslaglegging voor de belastingschuld van de genoemde belastingschuldige. 10. Verkoop namens derden (eerste lid, onderdeel f) Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. Tot die maatregelen behoort bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het leggen van een cumulatief beslag. Onder derden valt ook de Staat, mits het niet gaat om de verkoop van goederen waarop in opdracht van de ontvanger beslag is gelegd, ongeacht of dit beslag betrekking heeft op belastingaanslagen, dan wel vorderingen e.d. waarvan de invordering is opgedragen aan de ontvanger. Voor een aantal belastingaanslagen is versnelde invordering niet mogelijk. Deze belastingaanslagen zijn genoemd in artikel 10, tweede lid, van de wet (zie het eerste lid van deze paragraaf). 11. Vordering ex artikel 19 (eerste lid, onderdeel g) De ontvanger heeft op grond van artikel 19 van de wet de bevoegdheid zogenaamd vereenvoudigd derdenbeslag te leggen. Het gaat hier om bepaalde in genoemd artikel nader omschreven categorieën derden aan wie de ontvanger een vordering kan doen om hetgeen die derden aan de belastingschuldige verschuldigd zijn of ten behoeve van hem onder zich hebben aan te wenden voor de betaling van belastingaanslagen van de belastingschuldige. De in artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van de wet omschreven situatie is te vergelijken met die genoemd in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, waarin de ontvanger beslag heeft gelegd op de goederen van de belastingschuldige voor een belastingschuld van die belastingschuldige zelf, met dien verstande dat onderdeel g niet van toepassing is als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald. Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien komen andere belastingaanslagen op, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Met de strekking van artikel 10, eerste lid, onderdeel g, is overigens niet verenigbaar dat de ontvanger een vordering als bedoeld in artikel 19 zou doen enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. 12. Geen zekerheid bij douaneschuld (eerste lid, onderdeel h, juncto derde lid) Met inachtneming van artikel 198 CDW kan versnelde invordering plaatsvinden als aanvulling of vervanging van de gestelde zekerheid niet tijdig overeenkomstig artikel 56 DW is verricht. De termijn waarbinnen aan die eis moet zijn voldaan, is vier weken na de dagtekening van het verzoek tot aanvulling of vervanging. Tegen deze beschikking is beroep mogelijk in de zin van artikel 243 CDW. Opgemerkt wordt dat de versnelde invordering slechts wenselijk is als er sprake is van vrees voor onverhaalbaarheid op de al aanwezige borg en de schuldena(a)r(en). Als er sprake is van redelijke bezwaren tegen de voorgestelde verhoging van de zekerheid, dan is versnelde invordering op grond van onderdeel h niet op zijn plaats. Artikel 10, derde lid, van de wet bepaalt dat het niet tijdig aanvullen van de zekerheid niet tot gevolg heeft dat andere belastingschulden, buiten de douanesfeer, eveneens terstond opeisbaar worden.