BWBR0004800
Artikel 1
Leidraad invordering 1990
1. Algemeen
In deze leidraad wordt verstaan onder:
ministerie: Ministerie van Financien, directoraat-generaal Belastingdienst, team particulieren
en formeel recht of team ondernemingen;
ontvanger: de voorzitter van een managementteam van een van de organisatieonderdelen
van de Belastingdienst, belast met de invordering van rijksbelastingen;
directeur: de gezamenlijke voorzitters van de managementteams van de in artikel 3,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 genoemde
organisatieonderdelen van de Belastingdienst;
inspecteur: de voorzitter van een managementteam van een van de organisatieonderdelen
van de Belastingdienst, belast met de heffing van rijksbelastingen;
organisatieonderdeel van de Belastingdienst: een organisatorische eenheid van de Belastingdienst,
belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen of andere door de Belastingdienst
geheven of in te vorderen bedragen.
belastingdeurwaarder: de door de Minister van Financiën als zodanig aangewezen ambtenaar
van de Belastingdienst;
de wet: de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet
1990);
het besluit: het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
(rijks)belastingen: belastingen die van rijkswege door de Belastingdienst worden geheven
alsmede de opcenten;
loonbelasting: de loonbelasting alsmede de sociale verzekeringspremies;
sociale verzekeringspremies: de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen
alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;.
negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de
aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
negatieve voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel
13 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief
bedrag;
Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van titel
III van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke
personen, ook wel de WSNP genoemd.
Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als
hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan.
2. Rechten bij invoer
De inning van de eigen middelen voor de Europese Unie vindt voor een belangrijk gedeelte
plaats met toepassing van hetgeen is vastgelegd in verordeningen. Met name het CDW
vormt in dit verband een belangrijk gedeelte van het raamwerk waarbinnen geopereerd
moet worden.
De invordering van de traditionele eigen middelen (de rechten bij invoer c.q. uitvoer,
waaronder douanerechten en heffingen van gelijke werking, zoals anti-dumpingheffingen
en compenserende heffingen, alsmede landbouwheffingen), vindt vanaf 1 juni 1996 plaats
op grond van de wet. Als de wet strijdig is met het CDW geldt hetgeen in het CDW is
bepaald. Op grond van bepalingen in de heffingswetten zijn op de omzetbelasting (artikel
22 Wet op de omzetbelasting 1968), de accijnzen (artikel 62 Wet op de accijns) en
de verbruiksbelastingen (artikel 26 Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten) die terzake van invoer verschuldigd worden
in beginsel dezelfde wettelijke bepalingen van toepassing als op de rechten bij in-
en uitvoer.
De consequentie hiervan is dus dat deze nationale middelen, als zij terzake van invoer
verschuldigd worden, onder het regime vallen zoals dat geldt voor onder meer de douanerechten.
Dit betekent overigens dat het CDW op enkele punten mede bepalend is voor het onder
de wet te voeren invorderingsbeleid met betrekking tot deze nationale middelen.
Het vorenstaande geldt niet voor de omzetbelasting die wordt geheven met toepassing
van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Ook op de bij beschikking vast te stellen bestuurlijke boete (hoofdstuk 5 DW), compenserende
rente (artikel 54 DW, met verwijzing naar artikel 519 van de toepassingsverordening
CDW) en kosten van ambtelijke werkzaamheden (hoofdstuk 4, § 2, DW) vindt de wet toepassing.
Op grond van overgangsrechtelijke bepalingen vindt de invordering van rechten bij
invoer die formeel verschuldigd zijn geworden vóór 1 juni 1996 nog plaats met inachtneming
van de artikelen 144a tot en met 160a van de Wet inzake de douane.
3. Belastingen
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake
de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing
is op de sociale verzekeringspremies en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst
is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband
niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich
ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij
uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
4. Aansprakelijkgestelden en andere derden
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor
een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen.
Ook hier is ter wille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden
tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt
beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking
tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken.
5. Karakter van deze leidraad
De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de Staat op de
belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige,
weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze
leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren.
De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie.
6. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling
10.2.1. Awb niet van toepassing zijn op de wet, handelt de ontvanger in het kader
van de invordering, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het Besluit
Fiscaal bestuursrecht.
Zoveel als mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb betekent onder meer dat
de beslistermijnen uit de Awb, inclusief de mogelijkheden tot verlenging, van toepassing
zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt.
Voor beschikkingen op aanvraag geldt derhalve een termijn van 8 weken met de mogelijkheid
hiervan af te wijken door het noemen van een redelijke termijn: zie de artikelen 4:13,
4:14 en 4:15 Awb;
Voor bezwaarschriften en beroepschriften in het kader van administratief beroep geldt
een termijn van 6 weken met de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken en de mogelijkheid
tot verder uitstel in gezamenlijk overleg: zie de artikelen 7:10 en 7:24 Awb.
Een ander voorbeeld van een bepaling uit de Awb die van toepassing is in het kader
van de invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk
af te wijken van de beleidsregels zoals opgenomen in deze leidraad. Afwijking van
die beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig
zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen. Dit laatste zal slechts
bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de
regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn
van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing
van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding
tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder
dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb.
Naast het zoveel als mogelijk is handelen in overeenstemming met de Awb dient de ontvanger
bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen,
ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop,
e.d.). Zie in dit verband het tiende lid.
7. Algemene uitgangspunten van het invorderingsbeleid
Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt
dat de voor de fiscus eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient.
Soms is verhaal mogelijk door middel van een vordering op grond van artikel 19 van
de wet. Het verdient de voorkeur om reeds voordat tot de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel wordt besloten, te bezien of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt,
nu het daarbij gaat om een specifiek in de wet voorziene invorderingsmaatregel waarbij
doelmatigheid en doeltreffendheid voorop staan.
8. Strak en efficiënt beleid
Hoewel de ontvanger een open oog dient te hebben voor de persoonlijke omstandigheden
van de belastingschuldige, is zijn taak er in de eerste plaats op gericht te bewerkstelligen
dat wordt voldaan aan de fiscale betalingsverplichtingen en wel als regel binnen de
termijn of termijnen die de wet daartoe stelt.
De ontvanger dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betalingstermijnen
of het oplopen van een belastingschuld kan leiden tot de situatie, waarin de schuld
niet meer invorderbaar blijkt dan wel, voorzover nog wel invorderbaar al dan niet
in geval van faillissement, de belangen van andere schuldeisers kan schaden.
9. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven
Als de ontvanger het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen,
waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen het voortbestaan wordt bedreigd
van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig
uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt
hij daartoe toestemming van het ministerie.
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te
hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar waarin op een zodanige wijze kan worden
gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan
bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als:
-met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van
het bedrijf wordt beoogd;
-door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel
worden vastgelegd;
-derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag;
-de beslaglegging andere crediteuren zal bewegen tot het nemen van bijzondere stappen,
waaronder mede wordt verstaan het opzeggen van bankkrediet;
-de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen
verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement
door die schuldeiser.
10. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het optreden van de ontvanger dient in alle gevallen zorgvuldig te zijn. Daarbij dienen
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Tot de voornaamste
algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerekend de beginselen van gelijkheid,
motivering, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Een aantal van die beginselen is opgenomen
in de Awb, maar niet allemaal. Zo ontbreekt in de Awb thans nog onder meer het gelijkheidsbeginsel.
De genoemde beginselen komen tot uitdrukking bij de afweging van de belangen van het
Rijk, de belastingschuldigen en eventueel betrokken derden. Eén van de consequenties
hiervan is dat, hoezeer ook de Belastingdienst gebruik maakt van automatisering en
massale administratieve processen, aan de redelijke belangen van de belastingschuldigen
of derden niet voorbij mag worden gegaan.
In dit verband wordt er tevens op gewezen dat de ontvanger niet alleen verantwoordelijk
is voor de inning op juiste wijze van vorderingen waarvan de invordering aan hem is
opgedragen, maar ook voor de beslissing - ook in afwijzende zin - op verzoeken van
belastingschuldigen om enigerlei tegemoetkoming. Het optreden van de ontvanger dient
steeds blijk te geven van tact en gevoel voor objectiviteit.
Het beginsel van gelijkheid komt tot uitdrukking in de gelijke behandeling van (in
hoge mate) gelijke gevallen.
Het motiveringsbeginsel betekent voor de ontvanger dat hij zijn handelingen en besluiten
deugdelijk motiveert, zodat de belastingschuldige of derde van zijn beweegredenen
kennis kan nemen en zich eventueel tegen de (voorgenomen) handelingen of besluiten
kan verweren.
Voorts brengen de beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee dat opgewekt vertrouwen
wordt gehonoreerd en dat de aan de ontvanger gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt
overeenkomstig hun bedoeling.
11. Voor de invordering minder geschikte dagen
Op dagen die daarvoor uit beleidsmatig oogpunt minder geschikt worden geacht, worden
ten aanzien van particulieren in het algemeen geen invorderingsmaatregelen genomen
die zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. In het bijzonder
kan hierbij worden gedacht aan landelijke of regionaal vrij algemeen erkende feest-
en gedenkdagen, veelal met inbegrip van de daaraan voorafgaande en daarop volgende
dag en de dagen vallende tussen Kerstmis en Nieuwjaar.
Het vorenstaande geldt ook voor degenen die een onderneming drijven of zelfstandig
een beroep uitoefenen, één en ander voorzover het invorderingsmaatregelen betreft
die betrekking hebben op bezittingen die tot de privé-sfeer van deze belastingschuldigen
kunnen worden gerekend.
Het vorenstaande geldt niet voor naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 9, achtste
lid, van de wet, ingeval de invorderingsmaatregelen plaatsvinden terstond na het opleggen
van de naheffingsaanslagen.
Goede Vrijdag wordt met betrekking tot de toepassing van artikel 64, tweede lid, Rv
en artikel 438b Rv met een algemeen erkende feestdag gelijk gesteld.
12. Datum van binnenkomst van bescheiden
Als aan de indiening van bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld een beroepschrift ex artikel
22 of een bezwaarschrift ex artikel 30 van de wet, een verzoek om uitstel van betaling
of kwijtschelding, een mededeling ex artikel 36 of 49 van de wet, een schriftelijke
mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv, etc.) rechtsgevolgen zijn verbonden dan
wel rechten kunnen worden ontleend, wordt de datum van binnenkomst bij de inspecteur
of ontvanger, waaronder de belastingplichtige/schuldige niet ressorteert, beschouwd
als datum van binnenkomst bij de inspecteur of ontvanger, waaronder de belastingplichtige/schuldige
ressorteert. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing als genoemde bescheiden
worden ingediend bij een andere autoriteit waarvan de indiener meende en redelijkerwijs
kon menen dat deze autoriteit de tot ontvangst bevoegde instantie was.
Als echter de ontvanger tussen de twee genoemde data heeft verrekend of dwangmaatregelen
heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, blijven deze gehandhaafd als
hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de
hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan alle
maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs
civielrechtelijke weg en het aansprakelijk stellen van derden.
Als op grond van de wet of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de indiening
van bepaalde bescheiden, het maken van bezwaar, het indienen van een beroepschrift,
het doen van verzet, enz. dient te geschieden bij de belastingdeurwaarder respectievelijk
bij de ontvanger maar dit feitelijk bij een andere ambtenaar van het betreffende organisatieonderdeel
van de Belastingdienst heeft plaatsgevonden, wordt deze indiening enz. geacht bij
de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de ontvanger te hebben plaatsgevonden.
13. De belastingdeurwaarder: gedragsregels
Belastingdeurwaarder is de door of namens de Minister van Financiën als zodanig aangewezen
ambtenaar van de rijksbelastingdienst. De rechten en plichten uit hoofde van de Ambtenarenwet
en het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn op hem van toepassing. In de uitoefening
van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb dan
wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger).
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid, gebruikt hij zijn bevoegdheid
niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en waakt hij ervoor
dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot
de met die handelingen te dienen doelen. Ter voorkoming van misverstanden meldt de
belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en legitimeert hij
zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder
verboden om hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld,
verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing
van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van
de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de door hem rechtstreeks
aan de wet en aan Rv ontleende bevoegdheden slechts uitoefent na daartoe verkregen
opdracht van de ontvanger en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan
diens aanwijzingen.
Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop de
belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te
dienen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij
de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder
werkzaam is.
14. Binnentreding
Als de belastingdeurwaarder in een woning wil binnentreden om beslag te kunnen leggen,
handelt hij overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Dit
betekent dat hij zich steeds moet legitimeren en het doel van de binnentreding moet
meedelen. Alvorens de belastingdeurwaarder overgaat tot het binnentreden van een woning,
waarvan de bewoner niet aanwezig is dan wel waarvan de bewoner toestemming tot binnentreding
weigert, benadert de belastingdeurwaarder de gemeente om zich te vergewissen van de
meest recente adresgegevens van de betrokken belastingschuldige. Gelet op het belang
van de bescherming van het huisrecht mag de belastingdeurwaarder van de bevoegdheid
tot het binnentreden van woningen alleen gebruik maken voorzover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Dit betekent dat niet willekeurig of lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt van de
uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden. Het belang waarmee het binnentreden
is gediend moet opwegen tegen de inbreuk op het huisrecht. Het invorderingsbelang
dat is gediend met binnentreding door de belastingdeurwaarder in de woning van de
belastingschuldige, tegen diens wil, dient telkenmale te worden afgewogen tegen het
belang van bescherming van het huisrecht.
Het binnentreden zal in concreto en met het oog op het doel waartoe wordt binnengetreden
redelijkerwijs nodig moeten zijn. Indien het doel ook op een andere, minder ingrijpende
wijze kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag, moet
worden afgezien van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner.
Ook van belang is op welke wijze zal worden binnengetreden. De inbreuk op het huisrecht
dient niet groter te zijn dan in het concrete geval noodzakelijk is. Indien het binnentreden
beperkt kan blijven tot enkele gedeelten van de woning, zou het in strijd zijn met
de eis van de proportionaliteit indien zonder redenen alle ruimten van de woning betreden
worden. De belastingdeurwaarder zal veelal met de binnentredingsproblematiek worden
geconfronteerd in het kader van een beslagopdracht op roerende zaken. Indien bij uitvoering
van die opdracht de bewoner niet aanwezig is dan wel de belastingdeurwaarder geen
toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden in een woning, wordt niet binnengetreden
dan na overleg met de ontvanger die de beslagopdracht heeft gegeven, tenzij de belastingdeurwaarder
door niet onmiddellijk binnen te treden van oordeel is dat de belangen van de Staat
zullen worden geschaad.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook niet wordt binnengetreden als wel toestemming
door de bewoner wordt verleend, maar de belastingdeurwaarder tot het oordeel komt
dat binnentreden op dat moment in redelijkheid niet wenselijk is, bijvoorbeeld in
het geval een huisgenoot van belastingschuldige op sterven ligt.
In het overleg met de belastingdeurwaarder over de vraag of zonder toestemming van
de bewoner in een woning moet worden binnengetreden, zal de ontvanger naast de voormelde
criteria ook anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen
te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar § 1, Inleidende opmerkingen, tiende lid,
van deze leidraad.Met betrekking tot binnentredingssituaties zonder toestemming van
de bewoner in andere gevallen dan in het kader van de opdracht tot beslaglegging op
roerende zaken, zoals bijvoorbeeld voor een nadere inventarisatie, het wegvoeren van
zaken, de voorbereiding van de verkoop, het gelegenheid geven tot bezichtiging en
de verkoop zelf, dient de belastingdeurwaarder te allen tijde te overleggen met de
ontvanger die met de invordering is belast.
Bij het binnentreden tegen de wil van de bewoner geldt in alle gevallen onverkort
artikel 444, tweede lid, Rv. Dit betekent dat de deurwaarder zich in die gevallen
dient te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente, in wiens tegenwoordigheid
de opening van de deuren of van het huisraad zal worden gedaan, of bij de hulpofficier
van Justitie. De belastingdeurwaarder is er tegenover de belastingschuldige verantwoordelijk
voor dat de functionaris die bij de binnentreding aanwezig is, ook daartoe is bevoegd
in de zin van artikel 444 Rv.
De burgemeester of de hulpofficier van Justitie tot wie de belastingdeurwaarder zich
wendt heeft in het kader van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een
eigen verantwoordelijkheid en zal voorafgaand aan het binnentreden ook een toetsing
verrichten om te voorkomen dat een lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bij de
wet toegekende bevoegdheden tot binnentreden. Het is derhalve niet alleen de ontvanger
of de belastingdeurwaarder die een afweging maakt tussen het belang waarmee het binnentreden
in een concreet geval is gediend en het belang van het beschermen van het huisrecht
van de bewoner. Komt de burgemeester of de hulpofficier in een specifiek geval tot
het oordeel dat de bescherming van het huisrecht dient te prevaleren boven het belang
dat met het binnentreden is gediend, dan wordt niet binnengetreden. Voorts zal de
burgemeester of de hulpofficier beoordelen of de wijze van uitoefening van de bevoegdheid
tot binnentreden voldoet aan de eis van proportionaliteit. Bij binnentreding in bedrijfsruimten
en andere ruimten die niet als woning zijn aan te merken, geldt niet de Algemene wet
op het binnentreden, maar wel het bepaalde in artikel 444 Rv.
Alvorens de belastingdeurwaarder zonder toestemming een bedrijfsruimte betreedt, zal
hij daartoe eerst het handelsregister raadplegen, teneinde te kunnen beschikken over
de meest actuele gegevens. In geval de belastingdeurwaarder twijfelt of een bepaalde
ruimte als woning moet worden aangemerkt, dient hij zekerheidshalve te handelen als
bij woningen.
15. Bewaren invorderingsbescheiden
De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering
gedurende drie jaren na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering
van de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslag nog niet is verjaard. De op
kwijtschelding betrekking hebbende bescheiden worden gedurende tenminste drie jaar
na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet
kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.
Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen worden
eveneens gedurende tenminste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs
nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. De bescheiden
die betrekking hebben op de invordering van invoerrecht, landbouwheffingen en andere
communautaire heffingen worden gedurende minimaal vier jaar na afdoening bewaard.
De bescheiden die betrekking hebben op een beslissing van schuldige nalatigheid door
de Sociale Verzekeringsbank worden bewaard tot het tijdstip van overlijden van de
premieplichtige, of zoveel korter als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij
hun belang definitief hebben verloren.
16. Bestuurlijke boeten
Beschikkingen en/of uitspraken inzake bestuurlijke boeten worden ingevorderd als belasting
en volgen het regime van de belasting waarmee zij verband houden. Zo is bijvoorbeeld
op de invordering van een met loonbelasting verband houdende bestuurlijke boete het
terzake van die belasting geldende kwijtscheldingsbeleid en uitstelbeleid van toepassing.
Een op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag
gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband
met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel m, van de wet is opgelegd, is invorderbaar in zoveel termijnen als geldt
voor die belastingaanslag.
Losse boetebeschikkingen, dat wil zeggen boetebeschikkingen die niet in verband staan
tot een bepaalde belastingaanslag of boetebeschikkingen die wel in verband staan tot
een bepaalde belastingaanslag, maar niet gelijktijdig met die belastingaanslag zijn
vastgesteld, kennen een betalingstermijn van twee maanden.
Opgemerkt wordt voorts dat met betrekking tot een bestuurlijke boete als bedoeld in
hoofdstuk 5 DW en met betrekking tot een bestuurlijke boete die verband houdt met
een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet het bodemrecht
van toepassing is. Het bodemrecht is echter niet van toepassing op bestuurlijke boeten
die niet in verband staan tot de naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde
lid, van de wet. Tevens wordt opgemerkt dat, met inachtneming van het bepaalde in
artikel 32 van de wet, ook derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor bestuurlijke
boeten.
17. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
In de gevallen dat een belastingschuldige of zijn gemachtigde, om andere redenen dan
in verband met artikel 35 van de wet, verzoekt om een verklaring dat op dat moment
ten name van hem noch belastingaanslagen openstaan noch andere vorderingen waarvan
de invordering aan de ontvanger is opgedragen en/of verzoekt om een verklaring waaruit
blijkt dat zich in het verleden voor wat betreft de invordering geen moeilijkheden
hebben voorgedaan (bijvoorbeeld een verzoek dat is gebaseerd op Richtlijn 93/36 EEG van de Raad van 14 juni 1993, betreffende de coördinatie van de procedures voor
het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen), komt de ontvanger aan een zodanig
verzoek tegemoet, tenzij uiteraard een dergelijke verklaring in strijd zou zijn met
de werkelijkheid. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt
deze aan hem uit.
Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege,
tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de
verklaring bevoegd is.
18. Diplomatieke status
De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status geschiedt
door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger dient een verzoek
om bemiddeling rechtstreeks te richten tot:
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Kabinet en Protocol
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage.
19. Bezwaar- c.q. beroepsmogelijkheid rechten bij invoer
Voorzover de invordering betrekking heeft op terzake van invoer/uitvoer verschuldigde
rechten (zowel de eigen middelen van de EU als nationale middelen) moet rekening worden
gehouden met hetgeen in het CDW is bepaald over bezwaar en beroep. In het geval van
strijdigheid tussen nationale bepalingen en het CDW dan wel de Toepassingsverordening
CDW gaan deze laatste regelingen voor.
In artikel 243 CDW is bepaald dat tegen elke beschikking beroep mogelijk is. In dit
verband is van belang dat het CDW in artikel 4, onderdeel 5, voorschrijft dat elke
beslissing in de vorm van een beschikking moet worden genomen. Dit betekent dus dat
ook elke beslissing in het kader van de invordering zich moet lenen voor beroep.
In deze leidraad wordt op diverse plaatsen de directeur aangewezen als instantie waarbij
men in administratief beroep kan komen tegen beslissingen van de ontvanger. In voorkomende
gevallen gelden deze aanwijzingen ook voor de rechten bij in- en uitvoer.
Het beroep wordt in de sfeer van de invordering ingesteld bij de civiele rechter.
Dit sluit dus aan bij de bestaande praktijk in de invordering.
In deze leidraad wordt verstaan onder:
ministerie: Ministerie van Financien, directoraat-generaal Belastingdienst, team particulieren
en formeel recht of team ondernemingen;
ontvanger: de voorzitter van een managementteam van een van de organisatieonderdelen
van de Belastingdienst, belast met de invordering van rijksbelastingen;
directeur: de gezamenlijke voorzitters van de managementteams van de in artikel 3,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 genoemde
organisatieonderdelen van de Belastingdienst;
inspecteur: de voorzitter van een managementteam van een van de organisatieonderdelen
van de Belastingdienst, belast met de heffing van rijksbelastingen;
organisatieonderdeel van de Belastingdienst: een organisatorische eenheid van de Belastingdienst,
belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen of andere door de Belastingdienst
geheven of in te vorderen bedragen.
belastingdeurwaarder: de door de Minister van Financiën als zodanig aangewezen ambtenaar
van de Belastingdienst;
de wet: de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet
1990);
het besluit: het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
(rijks)belastingen: belastingen die van rijkswege door de Belastingdienst worden geheven
alsmede de opcenten;
loonbelasting: de loonbelasting alsmede de sociale verzekeringspremies;
sociale verzekeringspremies: de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen
alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;.
negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de
aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
negatieve voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel
13 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief
bedrag;
Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van titel
III van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke
personen, ook wel de WSNP genoemd.
Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als
hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan.
2. Rechten bij invoer
De inning van de eigen middelen voor de Europese Unie vindt voor een belangrijk gedeelte
plaats met toepassing van hetgeen is vastgelegd in verordeningen. Met name het CDW
vormt in dit verband een belangrijk gedeelte van het raamwerk waarbinnen geopereerd
moet worden.
De invordering van de traditionele eigen middelen (de rechten bij invoer c.q. uitvoer,
waaronder douanerechten en heffingen van gelijke werking, zoals anti-dumpingheffingen
en compenserende heffingen, alsmede landbouwheffingen), vindt vanaf 1 juni 1996 plaats
op grond van de wet. Als de wet strijdig is met het CDW geldt hetgeen in het CDW is
bepaald. Op grond van bepalingen in de heffingswetten zijn op de omzetbelasting (artikel
22 Wet op de omzetbelasting 1968), de accijnzen (artikel 62 Wet op de accijns) en
de verbruiksbelastingen (artikel 26 Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten) die terzake van invoer verschuldigd worden
in beginsel dezelfde wettelijke bepalingen van toepassing als op de rechten bij in-
en uitvoer.
De consequentie hiervan is dus dat deze nationale middelen, als zij terzake van invoer
verschuldigd worden, onder het regime vallen zoals dat geldt voor onder meer de douanerechten.
Dit betekent overigens dat het CDW op enkele punten mede bepalend is voor het onder
de wet te voeren invorderingsbeleid met betrekking tot deze nationale middelen.
Het vorenstaande geldt niet voor de omzetbelasting die wordt geheven met toepassing
van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Ook op de bij beschikking vast te stellen bestuurlijke boete (hoofdstuk 5 DW), compenserende
rente (artikel 54 DW, met verwijzing naar artikel 519 van de toepassingsverordening
CDW) en kosten van ambtelijke werkzaamheden (hoofdstuk 4, § 2, DW) vindt de wet toepassing.
Op grond van overgangsrechtelijke bepalingen vindt de invordering van rechten bij
invoer die formeel verschuldigd zijn geworden vóór 1 juni 1996 nog plaats met inachtneming
van de artikelen 144a tot en met 160a van de Wet inzake de douane.
3. Belastingen
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake
de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing
is op de sociale verzekeringspremies en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst
is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband
niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich
ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij
uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
4. Aansprakelijkgestelden en andere derden
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor
een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen.
Ook hier is ter wille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden
tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt
beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking
tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken.
5. Karakter van deze leidraad
De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de Staat op de
belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige,
weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze
leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren.
De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie.
6. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling
10.2.1. Awb niet van toepassing zijn op de wet, handelt de ontvanger in het kader
van de invordering, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het Besluit
Fiscaal bestuursrecht.
Zoveel als mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb betekent onder meer dat
de beslistermijnen uit de Awb, inclusief de mogelijkheden tot verlenging, van toepassing
zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt.
Voor beschikkingen op aanvraag geldt derhalve een termijn van 8 weken met de mogelijkheid
hiervan af te wijken door het noemen van een redelijke termijn: zie de artikelen 4:13,
4:14 en 4:15 Awb;
Voor bezwaarschriften en beroepschriften in het kader van administratief beroep geldt
een termijn van 6 weken met de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken en de mogelijkheid
tot verder uitstel in gezamenlijk overleg: zie de artikelen 7:10 en 7:24 Awb.
Een ander voorbeeld van een bepaling uit de Awb die van toepassing is in het kader
van de invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk
af te wijken van de beleidsregels zoals opgenomen in deze leidraad. Afwijking van
die beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig
zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen. Dit laatste zal slechts
bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de
regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn
van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing
van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding
tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder
dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb.
Naast het zoveel als mogelijk is handelen in overeenstemming met de Awb dient de ontvanger
bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen,
ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop,
e.d.). Zie in dit verband het tiende lid.
7. Algemene uitgangspunten van het invorderingsbeleid
Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt
dat de voor de fiscus eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient.
Soms is verhaal mogelijk door middel van een vordering op grond van artikel 19 van
de wet. Het verdient de voorkeur om reeds voordat tot de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel wordt besloten, te bezien of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt,
nu het daarbij gaat om een specifiek in de wet voorziene invorderingsmaatregel waarbij
doelmatigheid en doeltreffendheid voorop staan.
8. Strak en efficiënt beleid
Hoewel de ontvanger een open oog dient te hebben voor de persoonlijke omstandigheden
van de belastingschuldige, is zijn taak er in de eerste plaats op gericht te bewerkstelligen
dat wordt voldaan aan de fiscale betalingsverplichtingen en wel als regel binnen de
termijn of termijnen die de wet daartoe stelt.
De ontvanger dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betalingstermijnen
of het oplopen van een belastingschuld kan leiden tot de situatie, waarin de schuld
niet meer invorderbaar blijkt dan wel, voorzover nog wel invorderbaar al dan niet
in geval van faillissement, de belangen van andere schuldeisers kan schaden.
9. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven
Als de ontvanger het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen,
waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen het voortbestaan wordt bedreigd
van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig
uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt
hij daartoe toestemming van het ministerie.
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te
hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar waarin op een zodanige wijze kan worden
gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan
bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als:
-met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van
het bedrijf wordt beoogd;
-door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel
worden vastgelegd;
-derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag;
-de beslaglegging andere crediteuren zal bewegen tot het nemen van bijzondere stappen,
waaronder mede wordt verstaan het opzeggen van bankkrediet;
-de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen
verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement
door die schuldeiser.
10. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het optreden van de ontvanger dient in alle gevallen zorgvuldig te zijn. Daarbij dienen
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Tot de voornaamste
algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerekend de beginselen van gelijkheid,
motivering, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Een aantal van die beginselen is opgenomen
in de Awb, maar niet allemaal. Zo ontbreekt in de Awb thans nog onder meer het gelijkheidsbeginsel.
De genoemde beginselen komen tot uitdrukking bij de afweging van de belangen van het
Rijk, de belastingschuldigen en eventueel betrokken derden. Eén van de consequenties
hiervan is dat, hoezeer ook de Belastingdienst gebruik maakt van automatisering en
massale administratieve processen, aan de redelijke belangen van de belastingschuldigen
of derden niet voorbij mag worden gegaan.
In dit verband wordt er tevens op gewezen dat de ontvanger niet alleen verantwoordelijk
is voor de inning op juiste wijze van vorderingen waarvan de invordering aan hem is
opgedragen, maar ook voor de beslissing - ook in afwijzende zin - op verzoeken van
belastingschuldigen om enigerlei tegemoetkoming. Het optreden van de ontvanger dient
steeds blijk te geven van tact en gevoel voor objectiviteit.
Het beginsel van gelijkheid komt tot uitdrukking in de gelijke behandeling van (in
hoge mate) gelijke gevallen.
Het motiveringsbeginsel betekent voor de ontvanger dat hij zijn handelingen en besluiten
deugdelijk motiveert, zodat de belastingschuldige of derde van zijn beweegredenen
kennis kan nemen en zich eventueel tegen de (voorgenomen) handelingen of besluiten
kan verweren.
Voorts brengen de beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee dat opgewekt vertrouwen
wordt gehonoreerd en dat de aan de ontvanger gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt
overeenkomstig hun bedoeling.
11. Voor de invordering minder geschikte dagen
Op dagen die daarvoor uit beleidsmatig oogpunt minder geschikt worden geacht, worden
ten aanzien van particulieren in het algemeen geen invorderingsmaatregelen genomen
die zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. In het bijzonder
kan hierbij worden gedacht aan landelijke of regionaal vrij algemeen erkende feest-
en gedenkdagen, veelal met inbegrip van de daaraan voorafgaande en daarop volgende
dag en de dagen vallende tussen Kerstmis en Nieuwjaar.
Het vorenstaande geldt ook voor degenen die een onderneming drijven of zelfstandig
een beroep uitoefenen, één en ander voorzover het invorderingsmaatregelen betreft
die betrekking hebben op bezittingen die tot de privé-sfeer van deze belastingschuldigen
kunnen worden gerekend.
Het vorenstaande geldt niet voor naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 9, achtste
lid, van de wet, ingeval de invorderingsmaatregelen plaatsvinden terstond na het opleggen
van de naheffingsaanslagen.
Goede Vrijdag wordt met betrekking tot de toepassing van artikel 64, tweede lid, Rv
en artikel 438b Rv met een algemeen erkende feestdag gelijk gesteld.
12. Datum van binnenkomst van bescheiden
Als aan de indiening van bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld een beroepschrift ex artikel
22 of een bezwaarschrift ex artikel 30 van de wet, een verzoek om uitstel van betaling
of kwijtschelding, een mededeling ex artikel 36 of 49 van de wet, een schriftelijke
mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv, etc.) rechtsgevolgen zijn verbonden dan
wel rechten kunnen worden ontleend, wordt de datum van binnenkomst bij de inspecteur
of ontvanger, waaronder de belastingplichtige/schuldige niet ressorteert, beschouwd
als datum van binnenkomst bij de inspecteur of ontvanger, waaronder de belastingplichtige/schuldige
ressorteert. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing als genoemde bescheiden
worden ingediend bij een andere autoriteit waarvan de indiener meende en redelijkerwijs
kon menen dat deze autoriteit de tot ontvangst bevoegde instantie was.
Als echter de ontvanger tussen de twee genoemde data heeft verrekend of dwangmaatregelen
heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, blijven deze gehandhaafd als
hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de
hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan alle
maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs
civielrechtelijke weg en het aansprakelijk stellen van derden.
Als op grond van de wet of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de indiening
van bepaalde bescheiden, het maken van bezwaar, het indienen van een beroepschrift,
het doen van verzet, enz. dient te geschieden bij de belastingdeurwaarder respectievelijk
bij de ontvanger maar dit feitelijk bij een andere ambtenaar van het betreffende organisatieonderdeel
van de Belastingdienst heeft plaatsgevonden, wordt deze indiening enz. geacht bij
de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de ontvanger te hebben plaatsgevonden.
13. De belastingdeurwaarder: gedragsregels
Belastingdeurwaarder is de door of namens de Minister van Financiën als zodanig aangewezen
ambtenaar van de rijksbelastingdienst. De rechten en plichten uit hoofde van de Ambtenarenwet
en het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn op hem van toepassing. In de uitoefening
van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb dan
wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger).
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid, gebruikt hij zijn bevoegdheid
niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en waakt hij ervoor
dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot
de met die handelingen te dienen doelen. Ter voorkoming van misverstanden meldt de
belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en legitimeert hij
zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder
verboden om hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld,
verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing
van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van
de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de door hem rechtstreeks
aan de wet en aan Rv ontleende bevoegdheden slechts uitoefent na daartoe verkregen
opdracht van de ontvanger en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan
diens aanwijzingen.
Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop de
belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te
dienen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij
de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder
werkzaam is.
14. Binnentreding
Als de belastingdeurwaarder in een woning wil binnentreden om beslag te kunnen leggen,
handelt hij overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Dit
betekent dat hij zich steeds moet legitimeren en het doel van de binnentreding moet
meedelen. Alvorens de belastingdeurwaarder overgaat tot het binnentreden van een woning,
waarvan de bewoner niet aanwezig is dan wel waarvan de bewoner toestemming tot binnentreding
weigert, benadert de belastingdeurwaarder de gemeente om zich te vergewissen van de
meest recente adresgegevens van de betrokken belastingschuldige. Gelet op het belang
van de bescherming van het huisrecht mag de belastingdeurwaarder van de bevoegdheid
tot het binnentreden van woningen alleen gebruik maken voorzover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Dit betekent dat niet willekeurig of lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt van de
uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden. Het belang waarmee het binnentreden
is gediend moet opwegen tegen de inbreuk op het huisrecht. Het invorderingsbelang
dat is gediend met binnentreding door de belastingdeurwaarder in de woning van de
belastingschuldige, tegen diens wil, dient telkenmale te worden afgewogen tegen het
belang van bescherming van het huisrecht.
Het binnentreden zal in concreto en met het oog op het doel waartoe wordt binnengetreden
redelijkerwijs nodig moeten zijn. Indien het doel ook op een andere, minder ingrijpende
wijze kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag, moet
worden afgezien van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner.
Ook van belang is op welke wijze zal worden binnengetreden. De inbreuk op het huisrecht
dient niet groter te zijn dan in het concrete geval noodzakelijk is. Indien het binnentreden
beperkt kan blijven tot enkele gedeelten van de woning, zou het in strijd zijn met
de eis van de proportionaliteit indien zonder redenen alle ruimten van de woning betreden
worden. De belastingdeurwaarder zal veelal met de binnentredingsproblematiek worden
geconfronteerd in het kader van een beslagopdracht op roerende zaken. Indien bij uitvoering
van die opdracht de bewoner niet aanwezig is dan wel de belastingdeurwaarder geen
toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden in een woning, wordt niet binnengetreden
dan na overleg met de ontvanger die de beslagopdracht heeft gegeven, tenzij de belastingdeurwaarder
door niet onmiddellijk binnen te treden van oordeel is dat de belangen van de Staat
zullen worden geschaad.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook niet wordt binnengetreden als wel toestemming
door de bewoner wordt verleend, maar de belastingdeurwaarder tot het oordeel komt
dat binnentreden op dat moment in redelijkheid niet wenselijk is, bijvoorbeeld in
het geval een huisgenoot van belastingschuldige op sterven ligt.
In het overleg met de belastingdeurwaarder over de vraag of zonder toestemming van
de bewoner in een woning moet worden binnengetreden, zal de ontvanger naast de voormelde
criteria ook anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen
te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar § 1, Inleidende opmerkingen, tiende lid,
van deze leidraad.Met betrekking tot binnentredingssituaties zonder toestemming van
de bewoner in andere gevallen dan in het kader van de opdracht tot beslaglegging op
roerende zaken, zoals bijvoorbeeld voor een nadere inventarisatie, het wegvoeren van
zaken, de voorbereiding van de verkoop, het gelegenheid geven tot bezichtiging en
de verkoop zelf, dient de belastingdeurwaarder te allen tijde te overleggen met de
ontvanger die met de invordering is belast.
Bij het binnentreden tegen de wil van de bewoner geldt in alle gevallen onverkort
artikel 444, tweede lid, Rv. Dit betekent dat de deurwaarder zich in die gevallen
dient te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente, in wiens tegenwoordigheid
de opening van de deuren of van het huisraad zal worden gedaan, of bij de hulpofficier
van Justitie. De belastingdeurwaarder is er tegenover de belastingschuldige verantwoordelijk
voor dat de functionaris die bij de binnentreding aanwezig is, ook daartoe is bevoegd
in de zin van artikel 444 Rv.
De burgemeester of de hulpofficier van Justitie tot wie de belastingdeurwaarder zich
wendt heeft in het kader van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een
eigen verantwoordelijkheid en zal voorafgaand aan het binnentreden ook een toetsing
verrichten om te voorkomen dat een lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bij de
wet toegekende bevoegdheden tot binnentreden. Het is derhalve niet alleen de ontvanger
of de belastingdeurwaarder die een afweging maakt tussen het belang waarmee het binnentreden
in een concreet geval is gediend en het belang van het beschermen van het huisrecht
van de bewoner. Komt de burgemeester of de hulpofficier in een specifiek geval tot
het oordeel dat de bescherming van het huisrecht dient te prevaleren boven het belang
dat met het binnentreden is gediend, dan wordt niet binnengetreden. Voorts zal de
burgemeester of de hulpofficier beoordelen of de wijze van uitoefening van de bevoegdheid
tot binnentreden voldoet aan de eis van proportionaliteit. Bij binnentreding in bedrijfsruimten
en andere ruimten die niet als woning zijn aan te merken, geldt niet de Algemene wet
op het binnentreden, maar wel het bepaalde in artikel 444 Rv.
Alvorens de belastingdeurwaarder zonder toestemming een bedrijfsruimte betreedt, zal
hij daartoe eerst het handelsregister raadplegen, teneinde te kunnen beschikken over
de meest actuele gegevens. In geval de belastingdeurwaarder twijfelt of een bepaalde
ruimte als woning moet worden aangemerkt, dient hij zekerheidshalve te handelen als
bij woningen.
15. Bewaren invorderingsbescheiden
De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering
gedurende drie jaren na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering
van de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslag nog niet is verjaard. De op
kwijtschelding betrekking hebbende bescheiden worden gedurende tenminste drie jaar
na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet
kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.
Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen worden
eveneens gedurende tenminste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs
nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. De bescheiden
die betrekking hebben op de invordering van invoerrecht, landbouwheffingen en andere
communautaire heffingen worden gedurende minimaal vier jaar na afdoening bewaard.
De bescheiden die betrekking hebben op een beslissing van schuldige nalatigheid door
de Sociale Verzekeringsbank worden bewaard tot het tijdstip van overlijden van de
premieplichtige, of zoveel korter als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij
hun belang definitief hebben verloren.
16. Bestuurlijke boeten
Beschikkingen en/of uitspraken inzake bestuurlijke boeten worden ingevorderd als belasting
en volgen het regime van de belasting waarmee zij verband houden. Zo is bijvoorbeeld
op de invordering van een met loonbelasting verband houdende bestuurlijke boete het
terzake van die belasting geldende kwijtscheldingsbeleid en uitstelbeleid van toepassing.
Een op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag
gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband
met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel m, van de wet is opgelegd, is invorderbaar in zoveel termijnen als geldt
voor die belastingaanslag.
Losse boetebeschikkingen, dat wil zeggen boetebeschikkingen die niet in verband staan
tot een bepaalde belastingaanslag of boetebeschikkingen die wel in verband staan tot
een bepaalde belastingaanslag, maar niet gelijktijdig met die belastingaanslag zijn
vastgesteld, kennen een betalingstermijn van twee maanden.
Opgemerkt wordt voorts dat met betrekking tot een bestuurlijke boete als bedoeld in
hoofdstuk 5 DW en met betrekking tot een bestuurlijke boete die verband houdt met
een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet het bodemrecht
van toepassing is. Het bodemrecht is echter niet van toepassing op bestuurlijke boeten
die niet in verband staan tot de naheffingsaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde
lid, van de wet. Tevens wordt opgemerkt dat, met inachtneming van het bepaalde in
artikel 32 van de wet, ook derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor bestuurlijke
boeten.
17. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
In de gevallen dat een belastingschuldige of zijn gemachtigde, om andere redenen dan
in verband met artikel 35 van de wet, verzoekt om een verklaring dat op dat moment
ten name van hem noch belastingaanslagen openstaan noch andere vorderingen waarvan
de invordering aan de ontvanger is opgedragen en/of verzoekt om een verklaring waaruit
blijkt dat zich in het verleden voor wat betreft de invordering geen moeilijkheden
hebben voorgedaan (bijvoorbeeld een verzoek dat is gebaseerd op Richtlijn 93/36 EEG van de Raad van 14 juni 1993, betreffende de coördinatie van de procedures voor
het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen), komt de ontvanger aan een zodanig
verzoek tegemoet, tenzij uiteraard een dergelijke verklaring in strijd zou zijn met
de werkelijkheid. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt
deze aan hem uit.
Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege,
tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de
verklaring bevoegd is.
18. Diplomatieke status
De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status geschiedt
door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger dient een verzoek
om bemiddeling rechtstreeks te richten tot:
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Kabinet en Protocol
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage.
19. Bezwaar- c.q. beroepsmogelijkheid rechten bij invoer
Voorzover de invordering betrekking heeft op terzake van invoer/uitvoer verschuldigde
rechten (zowel de eigen middelen van de EU als nationale middelen) moet rekening worden
gehouden met hetgeen in het CDW is bepaald over bezwaar en beroep. In het geval van
strijdigheid tussen nationale bepalingen en het CDW dan wel de Toepassingsverordening
CDW gaan deze laatste regelingen voor.
In artikel 243 CDW is bepaald dat tegen elke beschikking beroep mogelijk is. In dit
verband is van belang dat het CDW in artikel 4, onderdeel 5, voorschrijft dat elke
beslissing in de vorm van een beschikking moet worden genomen. Dit betekent dus dat
ook elke beslissing in het kader van de invordering zich moet lenen voor beroep.
In deze leidraad wordt op diverse plaatsen de directeur aangewezen als instantie waarbij
men in administratief beroep kan komen tegen beslissingen van de ontvanger. In voorkomende
gevallen gelden deze aanwijzingen ook voor de rechten bij in- en uitvoer.
Het beroep wordt in de sfeer van de invordering ingesteld bij de civiele rechter.
Dit sluit dus aan bij de bestaande praktijk in de invordering.